Kinderalimentatie, schuldsanering en afspraken met de rechter-commissaris

Lezenswaardig is vooral de conclusie van de PG Wuisman:

Gezien tegen de achtergrond van de door het hof niet voor onjuist gehouden verklaring van de vrouw voor het niet betalen van de ouderbijdragen, valt niet goed in te zien dat het niet betalen van de ouderbijdragen door de vrouw een verwijtbaar gedrag vormt. De hiervoor gegeven verklaring komt hierop neer dat haar gedurende de gelding van de schuldsaneringsregeling niet de financiële ruimte werd geboden om de onderhoudsbijdrage te voldoen. Indien bij het bepalen van die financiële ruimte de consequenties ervan voor de kinderbijslag niet zijn onderkend, is dat een omstandigheid die, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, niet zozeer de vrouw is aan te rekenen als wel degenen die de financiële ruimte van haar bepaalden. Het oordeel dat de vrouw van het niet betalen van de ouder-bijdragen een verwijt kan worden gemaakt, wordt dan ook, naar het voorkomt, terecht bestreden. Daarmee vervalt de dragende grond die het hof aanvoert voor zijn oordeel dat de schuldig gebleven ouderbijdragen uit hoofde van de Wet op de Jeugdzorg ten opzichte van de man niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van de behoefte van de twee kinderen aan levensonderhoud gedurende de tijd dat zij uit huis zijn geplaatst.

Het komt gewenst voor nog de volgende opmerking ter zijde te maken. In artikel 71 lid 2 Wet op de Jeugdzorg is bepaald dat geen ouderbijdrage is verschuldigd door onder meer de ouder ten aanzien van wie de rechter op de voet van de artikelen 1:406 en 407 BW of van artikel 822, lid 1, sub c Rv een bedrag heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind. Hierachter steekt de gedachte dat deze ouder reeds bijdraagt in het levensonderhoud van het kind en hij tot een verdere bijdrage dan door de rechter bepaald niet gehouden is.((2)) Bij deze ratio past, naar het toeschijnt, zeer wel dat aangenomen wordt dat ook geen ouderbijdrage verschuldigd is door de ouder ten aanzien van wie de rechter heeft bepaald dat hij bij gemis aan draagkracht niet gehouden is periodiek in het levensonderhoud van zijn kind bij te dragen. Dit laatste gegeven lijkt in het onderhavige geval van belang niet slechts voor de man, maar ook voor de vrouw en haar nieuwe echtgenoot. Indien ook ten aanzien van hen in rechte als vaststaand zou mogen worden aangenomen dat zij gedurende de schuldsaneringsregeling vanwege de hoogte van het voor hen vastgestelde vrij te besteden inkomen niet in staat zijn geweest om in het levensonderhoud van de kinderen bij te dragen mede omdat bij het bepalen van het vrij te laten bedrag in het onderhavige geval geen rekening is gehouden met de betaling van de ouderbijdragen,((3))dan komt het vooralsnog redelijk voor dat ook voor hen zou gelden dat zij niet verplicht zijn om de ouderbijdragen te voldoen die stammen uit de periode dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was. Dit laatste brengt, zo komt het voor, op zijn beurt weer mee dat de ouderbijdragen, die tijdens het van kracht zijn van de schuldsaneringregeling niet konden worden voldaan, niet als schuld zijn blijven openstaan en dus niet alsnog kunnen worden opgevorderd.

Hoge Raad 24 december 2010, LJN BO8484