Wijziging eenhoofdig gezag in gezamenlijk gezag. Toetsingskader.

In de onderhavige zaak heeft de rechter bij beschikking van 20 april 2011 bepaald dat het gezag over [de minderjarige1] voortaan alleen aan de moeder toekomt. Een verzoek om die beslissing aldus te wijzigen dat het gezag wordt opgedragen aan de andere ouder of aan beide ouders gezamenlijk kan slechts worden toegewezen indien voldaan is aan (een van) de vereisten van artikel 1:253o BW, derhalve indien na de beslissing de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter dient voorts te beoordelen of er sprake is van zodanig ernstige (communicatie) problemen tussen de ouders dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders wanneer zij het ouderlijk gezag gezamenlijk (gaan) uitoefenen, zonder dat te verwachten is dat in die problemen binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of het anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is dat het eenhoofdig gezag wordt gecontinueerd.

Het hof is van oordeel dat het feit dat de minderjarige vanaf oktober 2013 bij de vader in [A] woont een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253o BW oplevert. De beslissing van de rechter om de moeder alleen met het gezag over de minderjarige te belasten is derhalve voor wijziging vatbaar. Het hof acht het, evenals de rechtbank, ook in het belang van de minderjarige dat het gezag over hem wordt gewijzigd, nu hij al bijna 2 jaar bij de vader woont. Het is immers in het belang van de minderjarige dat degene bij wie hij woont (mede) zeggenschap over hem heeft. De raad heeft in eerste instantie geadviseerd om de vader alleen met het gezag over [de minderjarige1] te belasten, omdat de ouders niet in staat zijn om met elkaar te communiceren en er nauwelijks sprake is van constructieve samenwerking en overleg.

Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt evenwel niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag slechts aan een van de ouders moet worden toegekend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is weliswaar gebleken dat de communicatie tussen de ouders al jarenlang ernstig is verstoord, maar niet is gebleken dat de minderjarige klem of verloren zit tussen de ouders. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de minderjarige1] in het kinderverhoor heeft aangegeven dat hij niet merkt dat de vader en de moeder (sinds de beslissing in eerste aanleg) samen het gezag over hem uitoefenen. Er zou volgens hem eenmaal een briefje niet zijn teruggestuurd door de moeder, maar daarnaast heeft hij geen problemen ondervonden of ervaren als gevolg van de gezamenlijke gezagsuitoefening door zijn ouders. Evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige, als gevolg van de communicatieproblemen tussen partijen, op termijn wel klem of verloren zal raken tussen de ouders. Het hof acht in dit kader van belang dat de moeder heeft aangegeven dat, in het geval partijen het niet eens zijn over een te nemen beslissing ten aanzien van de minderjarige, zij bereid is om een stap terug te doen, zoals zij dat in een eerdere situatie waarin partijen het niet eens waren (over het verzoek van de moeder om de minderjarige een intelligentietest te laten uitvoeren) ook heeft gedaan. De raad heeft ter zitting zijn in eerste instantie gegeven advies ingetrokken en zich nu van een advies onthouden.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat er geen gronden aanwezig zijn om de vader alleen met het gezag over de minderjarige te belasten. Het hof acht het, evenals de rechtbank, het meest in het belang van de minderjarige dat aan partijen gezamenlijk het gezag toekomt, overeenkomstig het uitgangspunt van de wetgever.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6353