Echtscheidingsconvenant aangetast op grond van art. 6:248 lid 2 BW. De vrouw wist niet wat zij prijsgaf bij afzien van pensioenverevening.

Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk – op een paar maanden vlak voor het einde van het huwelijk na – geen betaald werk buitenshuis heeft verricht. Zij heeft tijdens het huwelijk en ook daarna geen pensioenrechten opgebouwd. Daar staat tegenover dat de man tijdens het huwelijk een ruim salaris had en aanzienlijke pensioenrechten heeft opgebouwd. Er is derhalve een grote discrepantie ontstaan tussen de door ieder van hen opgebouwde pensioenrechten.

De vrouw wordt voor het afzien van pensioenverevening op geen enkele wijze financieel gecompenseerd, bijvoorbeeld door een voor haar gunstige regeling van de verdeling en/of een hoge alimentatie van lange duur. In tegendeel, de man heeft bij de verdeling de woning met een waarde van € 260.000,- en een hypothecaire schuld van € 119.772,-, derhalve een nettowaarde van € 140.228,- toegedeeld gekregen, waar tegenover aan de vrouw een niet-opeisbare erfrechtelijke vordering is toegescheiden waarvan niet vast staat of deze vordering, op het moment dat deze opeisbaar wordt, nog een waarde vertegenwoordigt en zo ja, welke waarde. De vrouw ontvangt een beperkt bedrag per maand aan alimentatie en de duur van de alimentatie is teruggebracht tot de helft van de wettelijke termijn.

Daarbij komt dat de man niet heeft aangetoond dat de omvang van de opgebouwde pensioenrechten en het deel daarvan waarop de vrouw normaal gesproken recht zou hebben gehad in de gesprekken voorafgaand aan het sluiten van het convenant aan de orde zijn geweest op een zodanige wijze dat de vrouw de gevolgen van haar keuze om af te zien van pensioenverevening heeft kunnen overzien. Voor zover het bewijsaanbod van de man hierop ziet heeft de man zijn stellingen onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Dat betekent dat het hof moet aannemen dat de vrouw afstand heeft gedaan van pensioenverevening, terwijl haar niet concreet en nauwkeurig voor ogen stond wat zij prijsgaf. Daartegenover loopt de man een voordeel mis. Hij heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat verevening van de pensioenrechten nadelige gevolgen voor hem zou hebben, die van zijn kant gewicht in de schaal leggen. Zo bevat de uiteenzetting van de man tijdens de comparitie in hoger beroep onvoldoende houvast om aan te nemen, dat hij daardoor gedwongen zou zijn de woning te verkopen. Gesteld noch gebleken is tot slot dat de man in de veronderstelling dat pensioenverevening zou uitblijven, keuzes heeft gemaakt die hem in een nadeliger positie hebben gebracht.

Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de uitsluiting van pensioenverevening in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Grief 2 slaagt in zoverre. Artikel 6:248 lid 2 BW voorziet voor dat geval niet in vernietiging van de betrokken regeling. Gelet evenwel op het doel van het gevorderde, namelijk dat de man geen beroep kan doen op de regeling, zal het hof bepalen dat de tussen partijen als gevolg van het convenant geldende uitsluiting van pensioenverevening niet van toepassing is. Daarmee staat vast dat ingevolge artikel 2.1 WVP de vrouw krachtens deze wet recht heeft op verevening van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen en zij ingevolge artikel 2.6 WVP een recht op uitbetaling heeft jegens de man, nu niet een recht op uitbetaling jegens de pensioenuitvoerder is ontstaan. Bij gebrek aan een actuariële berekening die daarover helderheid verschaft kan het hof niet vaststellen dat de helft van het door de man gedurende het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen aan de vrouw toekomt. Het hof zal op dit onderdeel van het gevorderde beslissen als na te melden.

Gerechtshof Amsterdam 26 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:191