Anders dan de rechtbank acht het hof de gedragingen van de alimentatiegerechtigde niet dermate grievend, dat daarmee een einde is gekomen aan de onderhoudsverplichting.

5.2
Voorop dient te worden gesteld dat in uitzonderlijke gevallen grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie kan leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen. In een zodanig geval kan geoordeeld worden dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet van de onderhoudsplichtige kan worden gevergd. Ook kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten tegenover de ander aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te matigen.

5.3
Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo'n beëindiging dan wel matiging. Daarbij dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Derhalve is niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

5.4
Weliswaar heeft de man de grenzen van betamelijk gedrag overschreden, doch anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het gedrag van de man niet zodanig grievend is dat in redelijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden om bij te dragen in het levensonderhoud van de man. Het overweegt daartoe als volgt.

Uit de door de vrouw overgelegde processen-verbaal van aangifte van 20 juli 2013, 21 juli 2013 en 27 augustus 2013, de door de burgemeester aan de man opgelegde huisverboden voor de periode van 21 juli 2013 tot 18 augustus 2013 en de uitdraaien van sms-berichten en e-mailberichten van de man aan de vrouw (al dan niet via derden en/of social media) blijkt dat de gedragingen van de man voornamelijk hebben plaatsgevonden in de maanden voor en in de maanden na de verbreking van de samenwoning van partijen. Derhalve valt, naar het oordeel van het hof, niet uit te sluiten dat de gedragingen van de man mede zijn toe te schrijven aan de emoties die voortvloeien uit de relatiebreuk dan wel echtscheiding van partijen. Hetzelfde geldt voor de brief van 26 augustus 2014 die door de man aan de werkgever van de vrouw is gezonden. Hetgeen door de vrouw is aangevoerd over het gedrag van de man voor en tijdens het huwelijk, onderbouwd door middel van het in het geding brengen van verklaringen van vriendinnen, kennissen, buren en hulpverleners, leidt naar het oordeel van het hof niet tot een andere conclusie. Het hof acht in dit kader van belang dat de vrouw zelf heeft aangegeven dat de man lang (vanaf 1981) voordat partijen een relatie met elkaar kregen, al emotionele en psychische klachten had en daarvoor behandelingen onderging, dat de man tijdens het niet-huwelijkse deel van hun relatie (vanaf 1992) ten gevolge van deze problematiek volledig arbeidsongeschikt is geworden -en dat tot op heden is gebleven-, en dat partijen desondanks, jaren later (in 2000), zijn gehuwd en een kind hebben gekregen. De emotionele en psychische klachten van de man hebben daarmee derhalve bij voortduring onderdeel uitgemaakt van het gezamenlijke verleden van partijen. Daarnaast is het hof van oordeel dat, hoewel de door de vrouw aan de man verweten gedragingen zonder meer als kwetsend en grievend door de vrouw zullen zijn ervaren, die gedragingen ook op zichzelf (en in onderlinge samenhang) beschouwd niet ernstig genoeg zijn om aan te nemen dat er een einde is gekomen aan de hiervoor bedoelde lotsverbondenheid. Dit alles neemt niet weg dat tot een ander oordeel kan worden gekomen indien de man volhardt in zijn onbetamelijke gedragingen jegens de vrouw. Echter, op dit moment acht het hof een dergelijke conclusie te verstrekkend.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1043

In dezelfde lijn bij een bestaande psychische stoornis ligt een eerder op deze website gepubliceerde uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4495