Toegewezen verzoek tot ontheffing uit de ouderlijke macht bij verdenking van het syndroom van Münchhausen by Proxy

In deze zaak zijn er volgens het gerechtshof Arnhem redenen om aan te nemen dat er mogelijk sprake is van het syndroom van Münchhausen by Proxy bij moeder. Kenmerkend voor de ziekte is dat de lijder aan deze aandoening om persoonlijke aandacht van medische hulpverleners vraagt, door een aan zijn zorg toevertrouwd kind ziektes, kenmerken van ziektes, of verwondingen toe te brengen en als patiënt aan deze hulpverleners aan te bieden. Aldus wordt het kind chronisch mishandeld. Lastig is wel dat de diagnose moeilijk te stellen is. In deze casus hebben de ouders van de minderjarige weinig medewerking verleend bij het onderzoek naar het vaststellen van de oorzaak van de problemen die zich kennelijk volgens de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg bij de minderjarige voordeden. Het gerechtshof oordeelde als volgt:
" Ingevolge het bepaalde in art. 1:266 van het BW kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn kind op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in art. 1:268 lid 1 BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken, ingeval de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel.
Het bepaalde in art. 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW brengt mee dat een ontheffing, ondanks verzet van de ouder, uitgesproken kan worden indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art 1:254 BW af te wenden.
De ouders hebben nagelaten meer inzicht in de situatie te bieden, noch door inzicht in hun eigen situatie te geven noch door de medici toestemming te geven informatie te verstrekken of [het kind] nader te onderzoeken. Op deze wijze is onvoldoende duidelijk geworden dat de stellingen van de ouders juist zijn en dat de hulpverleningsinstanties een onjuist beeld hebben van de situatie. De ouders hebben hun medewerking aan de uitvoering van diverse maatregelen, die duidelijkheid en overzicht konden creëren, geweigerd. Zij hebben op deze wijze een grote rol gespeeld in het gehele complex van gebeurtenissen rond [het kind] en met name in het instandhouden van de onduidelijkheid. Hiermee hebben zij de gezondheid en veiligheid van [het kind] ernstig in gevaar gebracht."
Gerechtshof Arnhem, 22 december 2009,
LJN BK8008.