Ook bij gezamenlijke gezagsuitoefening kan omgang tijdelijk worden geschorst. Nieuw verzoek kan in ieder geval na een jaar.

Het hof heeft met juistheid overwogen dat, nu de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag over de kinderen zijn belast en de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de moeder hebben, voor de beoordeling van het verzoek tot een omgangsregeling aangesloten dient te worden bij het bepaalde in art. 1:253a BW.
In zijn beschikking van 18 november 2005, R03/130, NJ 2005, 574(15), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij gezamenlijke gezagsuitoefening tijdelijke schorsing van de uitoefening van het omgangsrecht van de ouder bij wie het kind niet verblijft, inhoudende dat tijdelijk geen omgang of contact met het kind is toegestaan, mogelijk is op de voet van het bepaalde in art. 1:253a BW. Nadien heeft, zoals in het middel met juistheid naar voren wordt gebracht, de Hoge Raad in een aantal gevallen beschikkingen waarbij het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling werd afgewezen, vernietigd op de grond, kort gezegd, dat in die beschikkingen niets was overwogen of beslist met betrekking tot de tijdsduur van de ontzegging van de omgang.
Deze rechtspraak behoeft, mede gelet op hetgeen in de zaak Nekvedavicius tegen Duitsland, EHRM (decision) 19 juni 2003, no. 46165/99 is overwogen omtrent de geldingsduur van een beslissing waarbij de rechter een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen ouder en kind afwijst, als volgt heroverweging.
Elke afwijzing van een dergelijk verzoek is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.
Hoge Raad, 7 mei 2010, LJN
BL7040