Verbod om te verhuizen naar het buitenland ook ingeval van eenhoofdig gezag na belangenafweging

De moeder oefent op grond van artikel 1:253b Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen. Op grond van artikel 1:247 lid 1 BW heeft de moeder de plicht en het recht om de kinderen te verzorgen en op te voeden. In artikel 1:247 lid 3 BW is bepaald dat het ouderlijk gezag mede de verplichting omvat van de moeder om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de andere ouder te bevorderen. Deze norm beperkt zich niet tot ouders met gezamenlijk gezag, doch is eveneens van toepassing op de ouder die eenhoofdig gezag heeft. De vader, als niet gezagdragende ouder, heeft op grond van artikel 1:377a lid 1 BW het recht op en de verplichting tot omgang met de kinderen.

Het staat de moeder in beginsel vrij haar leven naar eigen goeddunken in te richten en haar woonplaats te kiezen. Omdat zij het eenhoofdig gezag heeft, heeft zij ook de bevoegdheid om over de woonplaats van de kinderen te beslissen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt die vrijheid begrensd door de belangen van de kinderen, welke niet onaanvaardbaar in het gedrang mogen komen.

Op grond van vaste jurisprudentie dienen bij een verhuizing van een ouder met de kinderen en de daarbij te maken afweging van de belangen van de moeder, de vader en de kinderen, de belangen van de kinderen een eerste overweging te zijn. In het kader van dit kort geding dient de voorzieningenrechter een afweging te maken tussen het belang van moeder om op korte termijn met de kinderen te verhuizen, het belang van vader om ongewijzigd omgang te kunnen hebben met de kinderen en de belangen van de kinderen bij die omgangscontacten en bij een voortzetting van hun huidige verblijf in Nederland.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van afspraken die partijen zelf hebben gemaakt de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven, alsmede ook op wisselende doordeweekse dagen. Dat deze afspraken niet zijn vastgelegd in een rechterlijke uitspraak is niet relevant, nu dit geen vereiste is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben de vader en de kinderen een belang bij continuering van omgangscontacten. Gelet op de frequente omgangscontacten is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de moeder voorgestelde vakantieregeling, telefooncontacten en skypecontacten voorshands onvoldoende compensatie bieden voor het wegvallen van de wekelijkse contacten. De voorzieningenrechter neemt tevens in aanmerking dat door de vader onweersproken is gesteld dat hij voor het bezoeken van de kinderen in Engeland aanzienlijke reiskosten moet maken.

Rechtbank Oost-Brabant, 24 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4630