Alimentatie en eventuele inkomsten uit het criminele circuit. Stelplicht.

Tussen partijen is niet in geschil dat de horeca onderneming van de man op last van de gemeente in november 2013 is gesloten.

Uit de door de advocaat van de man bij brief van 21 januari 2016 overlegde stukken blijkt dat de man in het kader van een voorlopige hechtenis van 11 juni 2015 tot 16 december 2015 gedetineerd is geweest te [plaats] , wegens verdenking van het plegen van – zoals de man ter zitting heeft verklaard – drugs gerelateerde feiten.

Bij beslissing van 11 december 2015 is de voorlopige hechtenis geschorst, onder de in die beslissing genoemde voorwaarden. Enkele van die voorwaarden betreffen verplicht toezicht van de reclassering, alsmede elektronisch toezicht. Tevens dient de man gedurende het elektronisch toezicht te verblijven op het in die beslissing genoemde adres, waar hij op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zal zijn. De precieze tijdstippen worden vastgesteld door de reclassering in overleg met de man en zijn afhankelijk van de dagbesteding.

Op 12 januari 2016 heeft de man een arbeidsovereenkomst met [B.V.] B.V. te [vestigingsplaats] ondertekend voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van zes maanden, ingaande op 12 januari 2016 en eindigend op 11 juli 2016. Het betreft een dienstverband van 26 uur per week, verdeeld over vier dagen per week. De man genereert hiermee een inkomen van € 1.020,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De man heeft ter zitting verklaard dat hij deze dienstbetrekking door tussenkomst van de reclasseringsambtenaar heeft verworven.

Het hof is van oordeel dat de man, die overigens geen relevante opleiding heeft genoten, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode vanaf de geboorte van [minderjarige] tot aan de voorlopige hechtenis (zesenhalve maand) in verband met de sluiting van zijn onderneming geen relevante inkomsten heeft genoten, zodat hij in die periode niet in staat is geweest de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdragen te betalen. De vrouw stelt dat de man in die periode mogelijk nog wel vermogen had uit zijn beëindigde horeca onderneming, dan wel dat de man inkomsten genereerde in het criminele circuit. Het hof zal de vrouw in deze stellingen niet volgen nu zij deze niet nader heeft onderbouwd, hetgeen gezien de gemotiveerde betwisting door de man wel op haar weg had gelegen.

Het hof stelt verder vast dat de man gedurende zijn detentie geen relevante inkomsten heeft genoten en gedurende deze periode derhalve geen draagkracht heeft gehad om enige onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] of de vrouw te betalen.

Gelet op de voorwaarden van de schorsing van de voorlopige hechtenis, acht het hof het voorts aannemelijk dat de man ook thans niet in staat is een hoger inkomen te genereren dan in zijn huidige dienstverband.

Nu de man dit dienstverband is aangegaan op 12 januari 2016 en de man vanaf die datum wel inkomsten heeft, acht het hof het redelijk om ten behoeve van [minderjarige] met ingang van 12 januari 2016 een door de man te betalen minimale onderhoudsbijdrage van € 25,- per maand vast te stellen. In zoverre zal de bestreden beschikking worden vernietigd en het verzoek van de vrouw alsnog ten dele worden toegewezen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:783