Een uitsluitingsclausule in een testament gaat voor huwelijkse voorwaarden (uitsluitingsclausule dwingt).

Deze strekking dwingt ertoe aan te nemen dat indien de echtgenoten bij hun huwelijkse voorwaarden gemeenschap van goederen hebben uitgesloten onder beding dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof zodanige gemeenschap had bestaan, bij deze afrekening buiten beschouwing moeten blijven die goederen ten aanzien waarvan de erflater of schenker heeft bepaald dat zij niet in enige huwelijksgemeenschap zullen vallen. Zouden deze goederen immers wèl in de afrekening worden betrokken, dan zou ook de echtgenoot van de verkrijger der goederen, of de erven van die echtgenoot, in de waarde der goederen delen, hetgeen zou betekenen dat, in strijd met vorenbedoelde strekking van het voorschrift, de wil van de erflater of schenker niet zou worden geëerbiedigd.

Aangezien de door verzoekers verlangde wijziging van hun huwelijkse voorwaarden ertoe zou leiden dat die voorwaarden met het onderhavige voorschrift in strijd zouden komen en in zoverre dus geen effect zouden kunnen sorteren, heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat voor die wijziging een redelijke grond in de zin van art. 119, lid 3 Boek 1 BW (thans oud) ontbreekt.

Hoge Raad 21 november 1980, NJ 1981, 193 m. nt. EEAL