Samenloop schuldsanering en alimentatie. Man heeft gevraagd om nihilstelling

De man en de vrouw zijn in 2001 gescheiden. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man zowel kinder- als partneralimentatie verschuldigd is. Op 18 oktober 2004 is ten aanzien van de man de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
De man vraagt per deze datum nihilstelling van de alimentatie. Het gerechtshof Amsterdam heeft het verzoek deels afgewezen. Na 1 maart 2007 had de man weer werk maar op hem was tot 18 oktober 2007 nog de WSNP van toepassing. Over die periode moest de man volgens het gerechtshof toch alimentatie betalen.
Volgens de Hoge Raad is het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot nihilstelling dat de rechter in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is. De in dat verband vastgestelde feiten kunnen tot uitgangspunt worden genomen (HR 25 januari 2002, NJ 2002, 314). Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat de saniet gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van art. 295 lid 2 F. door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde art. 475d Rv., onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen. Dit kan anders zijn, indien het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris op een hoger bedrag is bepaald.
Het Hof heeft niet vastgesteld dat een dergelijke afwijkende vaststelling van het vrij te laten bedrag heeft plaatsgevonden. Zonder nadere motivering is het daarom onbegrijpelijk dat het Hof voor de periode na 1 maart 2007 draagkracht bij de man aanwezig heeft geacht. Volgt vernietiging van de beschikking van het gerechtshof en verwijzing.
Hoge Raad, 14 november 2008,
LJN BD7589