Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en verknochtheid. Schade wegens verlies aan arbeidsvermogen in de toekomst kan, naast het smartengeld, verknocht zijn.

De wettelijke gemeenschap van goederen omvat in beginsel alle tegenwoordige en toekomstige goederen. Goederen kunnen op grond van verknochtheid - zowel goederenrechtelijk als wat de waarde daarvan betreft - buiten de gemeenschap vallen. Of een goed op bijzondere wijze aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich er tegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Indien een der echtgenoten vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de voor de persoon van die echtgenoot nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.

Het voorschot van € 52.000,-

Het hof stelt vast dat de schade-uitkering van € 52.000,- niet strekt ter derving van de in de toekomst - na datum ontbinding van de huwelijksgemeenschap - door de man te derven inkomsten ten gevolge van zijn verminderde verdiencapaciteit. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat deze uitkering naar zijn aard niet aan de man is verknocht en derhalve in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen op het moment van uitkering.

De einduitkering van € 121.000,-

Uit de voormelde brief van [naam] b.v. van 16 oktober 2013 volgt dat dit deel van de schade-uitkering is bestemd voor toekomstige inkomensschade van € 18.000,- per jaar, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.500,- per maand. Een schade-uitkering die de strekking heeft van een inkomenssuppletie ter vervanging van in de toekomst te derven arbeidsinkomen, kan - voor zover het gaat om inkomenssuppletie voor de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap - naar haar aard worden beschouwd als een goed dat op zodanig bijzondere wijze is verknocht aan de echtgenoot die deze vergoeding ontvangt dat deze buiten de verdeling moet blijven omdat deze niet in de gemeenschap valt. Het hof stelt vast dat de man sedert het ongeluk inkomensschade heeft geleden. Zijn inkomen is afgenomen, terwijl de schade-uitkering van € 18.000,- per jaar slechts een deel van het oorspronkelijke inkomen van de man beslaat. Bovendien is de verdiencapaciteit van de man als gevolg van het ongeluk aangetast. De fysieke belastbaarheid van de man is afgenomen, waardoor hij niet kan terugkeren naar zijn oude werkzaamheden. De stelling van de vrouw dat de man slechts gedurende een beperkte periode inkomensschade heeft geleden, passeert het hof, nu zij die niet door middel van het overleggen van relevante verificatoire bescheiden of anderszins heeft onderbouwd. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de schade-uitkering van € 121.000,- naar haar aard zo aan de persoon van de man is verknocht dat deze - voor zover het gaat om inkomenssuppletie na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap - niet in de gemeenschap van goederen valt, en derhalve niet in de verdeling dient te worden betrokken. Daaraan doet niet af dat de uitkering geheel tijdens het huwelijk is ontvangen.

Gerechtshof Den Haag 25 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2874