Kredietcrisis heeft geen invloed op nakoming van echtscheidingsconvenant

Bij convenant zijn partijen overeengekomen dat de woning aan de vrouw werd toebedeeld en dat de man een overbedelingsvordering op de vrouw had. Omdat de vrouw op dat moment niet in staat was de overbedelingsvordering aan de man te betalen, hebben partijen afgesproken dat de vordering van de man gedurende zes jaar na levering van de woning aan de vrouw niet opeisbaar zou zijn. Het is niet duidelijk wat de achterliggende gedacht is geweest van de termijn van zes jaar. Ook uit de bemiddelingsverslagen blijkt hierover niets. Het was op dat moment voor partijen wel duidelijk dat de woning na afloop van de zes jaar termijn verkocht moest zijn, omdat de vrouw geen andere middelen had om de vordering uit te voldoen en de verwachting was toen ook niet dat zij die in 2007 wel zou hebben. De vrouw heeft haar uiterste best gedaan om de woning te verkopen. Zij is daar in 2005 mee begonnen, omdat ze wist dat het huis niet eenvoudig te verkopen zou zijn. Zij heeft de vraagprijs in overleg met een professionele makelaar vastgesteld. Nadien heeft zij de vraagprijs in overleg met de makelaar een aantal keer verlaagd. Als gevolg van de kredietcrisis is de woning nog steeds niet verkocht en is de vrouw thans niet in staat de overbedelingsvordering aan de man te voldoen. De man komt niet in financiële problemen indien de overbedelingsschuld thans niet aan hem wordt terugbetaald.

Overmacht

De vrouw beroept zich primair op overmacht, stellende dat de omstandigheid dat zij niet in staat is het gevorderde bedrag aan de man te voldoen, haar niet kan worden toegerekend. Volgens de vrouw is het niet haar schuld dat de woning nog niet is verkocht en dienen de gevolgen van de kredietcrisis en de discussie omtrent de hypotheekrenteaftrek niet voor haar rekening komen.

De man betwist gemotiveerd dat sprake is van overmacht.

Ingevolge artikel 6:75 BW wordt een tekortkoming de debiteur niet toegerekend, wanneer de tekortkoming niet aan zijn schuld te wijten is en deze bovendien niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Nu financieel onvermogen van de schuldenaar (de vrouw) krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de schuldenaar (de vrouw) komt, slaagt het beroep van de vrouw op overmacht niet.

Ten aanzien van de reconventionele vordering van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat deze ook met een geslaagd beroep op overmacht niet kan worden toegewezen, nu deze grond (overmacht) de vordering tot vernietiging dan wel wijziging van het convenant rechtens niet kan dragen.

Dwaling

De vrouw beroept zich subsidiair op dwaling. Zij stelt hiertoe dat beide partijen ten tijde van het sluiten van het convenant zijn uitgegaan van de veronderstelling dat de vrouw in staat zou zijn de woning tijdig te verkopen, zodat zij in staat zou zijn om in 2007 de overbedelingsvordering aan de man te kunnen betalen. Voorts stelt de vrouw dat zij het convenant nooit op deze manier gesloten zou hebben, als zij had geweten dat de situatie waar zij zich thans in bevindt, zou ontstaan.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw zich niet op de dwaling kan beroepen nu de door haar aangevoerde omstandigheid een louter toekomstige verwachting betreft. Voorts heeft de man ter comparitie verklaard dat hij ten tijde van het sluiten van het convenant niet stil heeft gestaan bij het feit dat de vrouw de overbedelingsvordering na zes jaar alleen zou kunnen betalen als de woning verkocht zou zijn, doch dat zulks – nu hij erop terugkijkt – wel voor de hand lag.

Een beroep op dwaling is onder meer mogelijk indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan (wederzijdse dwaling), en de dwalende bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden, zou zijn aangegaan (artikel 6:228 aanhef en onder b BW). Een beroep op dwaling slaagt niet indien hetgeen waarover partijen dwaalden een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of een omstandigheid die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer gelden opvattingen of omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW).

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen beroep toekomt op voormeld artikel. De vrouw heeft haar stelling dat sprake is van wederzijdse dwaling onvoldoende met feiten en omstandigheden gemotiveerd, hetgeen gelet op de verklaring van de man wel op haar weg had gelegen. Aldus moet worden geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat sprake is van één van de in artikel 6:228 BW genoemde dwalingsgevallen, als gevolg waarvan het beroep van de vrouw op dwaling reeds strand. Overigens is de rechtbank van oordeel dat de verwachting dat de woning na zes jaar verkocht zou zijn geen ten tijde van het sluiten van het convenant bestaande omstandigheid, doch een toekomstverwachting betreft, hetgeen een beroep op dwaling eveneens uitsluit. Het voorgaande betekent tevens dat de reconventionele vordering van de vrouw op deze grond niet kan worden toegewezen.

Onvoorziene omstandigheden

Volgens de vrouw is de kredietcrisis er de oorzaak van dat de woning nog niet is verkocht en betreft dit een omstandigheid die ten tijde van het aangaan van het convenant niet was te voorzien, zodat de man in redelijkheid geen ongewijzigde instandhouding van artikel 5.7 van het convenant mag verwachten. Voorts stelt de vrouw gemotiveerd dat de man niet in financiële problemen komt als de overbedelingsvordering thans niet aan hem wordt uitgekeerd.

De man wijst erop dat er in de jaren 80 ook een crisis is geweest. Voorts stelt de man dat het feit dat de vrouw de woning tijdig te koop heeft gezet, aangeeft dat zij zich wel gerealiseerd heeft dat verkoop van de woning moeilijk zou zijn. Volgens de man doen persoonlijke omstandigheden aan zijn zijde niet ter zake.

Voor een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW is niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd. De term onvoorzien ziet derhalve op de vraag of partijen ter zake een voorziening hebben getroffen, en niet op de kwestie of het intreden van de bewuste omstandigheid door hen voorzien of voor hen voorzienbaar was.

Gesteld noch gebleken is dat partijen een of meerdere bepalingen van het convenant – voor zover dat betrekking heeft op de betaling van de overbedelingsschuld – op grond van onvoorziene omstandigheden hebben uitgesloten. Ter beoordeling ligt derhalve voor of de door de vrouw genoemde omstandigheid, zijnde de kredietcrisis, van dien aard is dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van het echtscheidingsconvenant mag verwachten. De rechtbank neemt bij de beoordeling daarvan het volgende in aanmerking.

Partijen zijn in 2001 bij convenant onder meer de verdeling van de vermogensrechtelijke boedelbestanddelen, waaronder de voormalig echtelijke woning, overeengekomen. Daarbij is de woning aan de vrouw toebedeeld. Deze toedeling heeft mede tot gevolg gehad dat de risico’s aan de eigendom verbonden, zoals een naar het oordeel van de rechtbank niet buitengewone omstandigheid als verbetering of verslechtering van de huizenmarkt, bij de vrouw zijn gelegd. De door de vrouw aangevoerde omstandigheden komen dan ook krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening. De persoonlijke omstandigheden van de man doen daar niet aan af.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het beroep van de vrouw op onvoorziene omstandigheden faalt. Dit betekent tevens dat de reconventionele vordering van de vrouw op deze grond niet kan worden toegewezen.

De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

Tot slot doet de vrouw een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW, stellende dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich beroept op betaling van de overbedelingsschuld aan hem.

De man heeft het beroep van de vrouw op artikel 6:248 lid 2 BW gemotiveerd weersproken.

Onder verwijzing naar al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de door partijen gemaakte afspraken onder de door de vrouw genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De rechtbank verwerpt dan ook deze stellingen van de vrouw.

De vrouw heeft in reconventie specifiek ten aanzien van de door haar over de overbedelingsvordering te betalen rente nog gesteld dat zij niet over voldoende inkomsten beschikt om de jaarlijkse rente te betalen en dat de huizenprijzen zodanig zijn gedaald dat zij als gevolg van een daling van de huizenprijzen over de periode vanaf de toedeling van de woning aan haar geen rendement over de woning zal hebben wanneer de woning voor de huidige vraagprijs van EUE 430.000,= of voor een lager bedrag zal worden verkocht, terwijl de man een rendement heeft van 5,5% per jaar over de overbedelingsvordering, hetgeen niet in verhouding tot elkaar staat. De rechtbank is echter van oordeel dat ook ten aanzien van deze omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat de door partijen gemaakte afspraken onder de door de vrouw genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Partijen hebben immers gekozen voor toedeling van de woning aan de vrouw, de voordelen en risico’s die daaraan zijn verbonden inbegrepen. Dit betekent tevens dat de reconventionele vordering van de vrouw ook op deze grond niet kan worden toegewezen.

Conclusie

Het voorgaande betekent dat de conventionele vordering van de man in beginsel voor toewijzing gereed ligt en dat de reconventionele vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

Rechtbank Breda 1 december 2010, LJN: BO7706