Behoefte vrouw is niet onderbouwd. 60% niet van toepassing bij betwisting.

De vrouw stelt dat haar behoefte dient te worden vastgesteld aan de hand van de zogenaamde ‘60% norm’ en stelt derhalve dat de rechtbank haar behoefte terecht en op goede gronden heeft vastgesteld op € 1.860,- per maand netto. De vrouw heeft geen verdiencapaciteit en is derhalve niet in staat in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Weliswaar heeft de vrouw een opleiding tot schoonheidsspecialiste voltooid, doch is het nimmer haar intentie geweest om daadwerkelijk als schoonheidsspecialiste te werken. Bovendien kampt de vrouw met psychische klachten, die haar belemmeren aan het werkt te gaan.

De man betwist de behoefte van de vrouw en stelt dat de rechtbank niet uit had mogen gaan van de zogenaamde ‘hofnorm’. De vrouw had een behoefteberekening dienen over te leggen, zodat haar behoefte kon worden vastgesteld aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële kosten van haar levensonderhoud. De man stelt voorts dat de vrouw in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien, nu zij haar opleiding tot schoonheidsspecialiste heeft afgerond.

Het hof overweegt als volgt. Nu door de man de behoefte van de vrouw is bestreden, had het op de weg van de vrouw gelegen haar behoefte nader te specificeren en met verificatoire bescheiden te onderbouwen. Immers de behoefte aan partneralimentatie dient in redelijkheid te worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden, waarbij zoveel mogelijk rekening dient te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud. Nu de vrouw haar behoefte op geen enkele wijze heeft onderbouwd, kan het hof haar behoefte niet vaststellen. Desalniettemin is, naar het oordeel van het hof, aannemelijk dat de vrouw enige behoefte heeft. De vrouw ontvangt momenteel een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder, zodat het hof haar behoefte zal vaststellen op een bedrag gelijk aan de WWB-uitkering, te weten € 1.146,- per maand.

Ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft een opleiding tot schoonheidsspecialist voltooid en heeft, naar het oordeel van het hof, niet aangetoond dat zij als gevolg van de door haar gestelde depressieve klachten niet in staat is te werken. Het hof is van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht een inkomen van ten minste 75% van het minimumloon te genereren, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 1.150,- per maand. Nu de verdiencapaciteit van de vrouw de behoefte van de vrouw overstijgt stelt het hof vast dat de vrouw niet behoeftig is en de man derhalve niet gehouden is tot het betalen van partneralimentatie.

Gerechtshof 's-Gravenhage 9 februari 2011, LJN: BP6082