Man ontvangt alimentatie. Gelet op het arbeidsverleden en de leeftijd van de man, wordt hem een redelijke termijn gegeven om wederom betaalde arbeid te verkrijgen, te weten een jaar na datum van de beschikking.

De rechtbank is van oordeel dat de man – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – zijn gestelde ziektebeeld onvoldoende heeft aangetoond. Evenmin heeft de man voldoende bewijs geleverd van zijn stelling dat hij, gelet op zijn psychische problemen, thans geen betaalde arbeid kan verrichten. In zijn verklaring stelt [X] weliswaar dat de man lijdt aan een depressieve stoornis, NAO maar de rechtbank is van oordeel dat een maatschappelijk werker/psychosociale behandelaar, zoals [X] , niet gerechtigd is om een diagnose te stellen. Voor zover de depressie van de man is gediagnosticeerd door een psychiater, hetgeen overigens uit de verklaring van [X] niet blijkt, had het op de weg van de man gelegen een verklaring van de psychiater over te leggen. Voorts blijkt uit de verklaring van [X] niet of en, zo ja, in welke mate de gestelde depressie de man belemmert in het verrichten van betaalde werkzaamheden. Het had, mede gelet op de beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2013, op de weg van de man gelegen ook van zijn stelling dat hij niet tot betaalde arbeid in staat is bewijs te leveren. Immers, in voornoemde beschikking is reeds door het gerechtshof overwogen dat in beginsel van de man verwacht mag worden dat hij op termijn in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, doch dat zulks op dat moment (in 2013) nog niet van de man kon worden gevergd. Aan vorenstaande doet niet af de inhoud van de brief van [datum] van [gemeente] in het kader van de Participatiewet (productie 4 bij zijn brief van 17 september 2015) waaruit volgt dat dat de man tot 1 januari 2016 is ontheven van zijn arbeidsverplichtingen. De rechtbank heeft ter zake de door de man gestelde beperkingen immers een zelfstandige onderzoeksplicht.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat de man zijn stelling dat hij niet in staat is tot het verrichten van betaalde arbeid onvoldoende heeft aangetoond.

De rechtbank dient gelet op vorenstaande te beoordelen welke verdiencapaciteit aan de man kan worden toegedicht. De vrouw stelt dat de man in staat moet worden geacht volledig in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat de vrouw stelt dat de man een inkomen moet kunnen genereren ter hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.878,51 netto per maand.
De rechtbank stelt vast dat de man naar blijkt uit het door de vrouw overgelegde overzicht van zijn arbeidsverleden sedert september 2010 geen betaalde arbeid meer heeft verricht. De man is 53 jaar oud. Deze omstandigheden maken dat de man, naar het oordeel van de rechtbank, een redelijke termijn dient te worden gegeven om wederom betaalde arbeid te verkrijgen. Deze termijn stelt de rechtbank op een jaar te rekenen vanaf de datum van deze beschikking. Na ommekomst van dit jaar wordt de man geacht in zijn behoefte te kunnen voorzien. De rechtbank zal de onderhoudsverplichting van de vrouw derhalve met ingang van 1 november 2016 op nihil stellen.

Rechtbank Oost-Brabant 27 oktober 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:7667