Internationale kinderontvoering. Verzoek tot teruggeleiding afgewezen ivm worteling.

Nu de vader heeft gesteld dat de minderjarige in haar nieuwe omgeving in Nederland is geworteld, dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van worteling – in de zin van artikel 12 lid 2 van het Verdrag – van de minderjarige in Nederland. Voor de beantwoording van deze vraag dient gekeken te worden naar zowel de fysieke als de emotionele band die de minderjarige inmiddels met haar huidige verblijfplaats heeft verkregen. Het gaat niet alleen om het nieuwe gezinsverband, maar ook om meer externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, sport en school. De rechtbank neemt in aanmerking dat de minderjarige inmiddels zes jaar oud is, twee jaar in gezinsverband met de vader en haar beide grootouders samenleeft en sinds haar vierde jaar – derhalve intussen ruim twee jaar - in [plaats 2]naar school gaat. Het is de rechtbank gebleken dat de minderjarige de Nederlandse taal machtig is en door school en de dagelijkse en sociale activiteiten, waaronder de zwemles, vriendschappen aan het vormen is op de wijze en in de mate die passend is bij haar leeftijd. Zij heeft verder contact met klasgenootjes, een buurjongen en neefjes en nichtjes. Dit zijn omstandigheden die een aanwijzing vormen voor worteling van de minderjarige in [plaats 2], Nederland, waarbij de rechtbank meeneemt dat een kind met de leeftijd van de minderjarige (zes jaar) zich in het algemeen relatief snel zal kunnen aanpassen aan een nieuwe leefomgeving en dat er derhalve minder snel van worteling sprake zal zijn dan bij een ouder kind. Voor de beoordeling van de worteling van de minderjarige in Nederland is mede van belang in hoeverre de minderjarige (mede) nog geworteld is in Duitsland. Te dien aanzien geldt het volgende. Buiten de moeder heeft de minderjarige geen sociale binding (meer) met Duitsland. De minderjarige was ten tijde van de achterhouding te jong om zelfstandig sociale relaties (vriendschappen) aan te gaan en verdere relaties zijn niet ontstaan, mede nu het contact met de moeder na augustus 2012 tot op heden steeds in Nederland heeft plaatsgevonden en de minderjarige de Duitse taal niet of onvoldoende beheerst.

Onder deze omstandigheden – de binding met beide landen tegen elkaar afgezet – is de rechtbank van oordeel dat sprake is van worteling van de minderjarige in Nederland in die mate dat het verzoek om teruggeleiding naar Duitsland in het belang van de minderjarige dient te worden afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 11 september 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:11580