Kan een verhuizingsverzoek hangende een echtscheidingsprocedure worden toegewezen?

Nu ter terechtzitting is gebleken dat een vergelijk op voet van artikel 1:253a, vijfde lid, BW tussen partijen niet mogelijk is, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

De rechtbank stelt vast dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad, 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2363) volgt, dat – in het geval tevens een echtscheidingsprocedure tussen partijen aanhangig is – niet zonder meer vervangende toestemming voor verhuizing mag worden verleend. De rechtbank zal in de afweging moeten betrekken dat er een risico is dat de mogelijkheden om in het kader van de echtscheiding te komen tot een ouderschapsplan waarbij een gelijkwaardige uitvoering van het ouderschap wordt nagestreefd, door een verhuizing op basis van vervangende toestemming wordt doorkruist.

De rechtbank overweegt dat, gezien de reeks van incidenten die er in korte tijd tussen partijen heeft plaatsgevonden, alsook de houding van partijen ter zitting, de rechtbank niet de verwachting heeft dat partijen in staat zijn om in het kader van de echtscheidingsprocedure zelf afspraken te maken over de verblijfplaats van de minderjarige en daarbij een gelijkwaardige uitvoering van het ouderschap na te streven. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank in de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad geen belemmering om thans -voordat de echtscheiding is uitgesproken- te beslissen op het voorliggende verzoek van de vrouw.

Volgt na afweging van belangen toewijzing verzoek van de vrouw.

Rechtbank Den Haag 29 juli 2015,
ECLI:NL:RBDHA:2015:9119