Tossen om Jack Russell

Evenals ter zitting overweegt de voorzieningenrechter dat uit de overgelegde stukken niet voldoende kan worden vastgesteld wie van partijen de eigendom van de in geding zijnde honden heeft. Met inachtneming van artikel 3 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen worden deze goederen dan ook geacht toe te behoren aan ieder van de echtgenoten voor een gelijk deel.

Met het oog daarop heeft de voorzieningenrechter ter zitting overwogen dat het alleszins redelijk is dat ieder van partijen de zorg over één van de honden krijgt. Partijen hebben daarmee ter zitting ook ingestemd. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter overwogen het bezwaarlijk te achten bij vonnis een keuze tussen beide honden te moeten maken.
Desgevraagd hebben partijen ingestemd dit door het lot te laten beslissen.
Daartoe heeft de voorzieningenrechter een munt opgegooid. De uitkomst daarvan was dat [de vrouw] Milo zou behouden en [de man] Herman zou verkrijgen.

Gelet op het vorenstaande wordt de gevraagde voorziening toegewezen, met dien verstande dat [de vrouw] worden veroordeeld Herman aan [de man] af te geven op een in onderling overleg te bepalen tijdstip.

Gelet op het verhandelde ter zitting – met name de instemming van partijen het lot te laten beslissen over de voorliggende vraag – ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de uitspraak te versterken met een dwangsom.

Voorzieningenrechter Rechtbank Groningen, 5 april 2011, LJN: BQ0148