Komen stamrechtaanspraken in aanmerking voor pensioenverevening?

Op grond van de WVPS komen de door [gedaagde sub1] vanaf 24 oktober 1969 tot 28 mei 2003 opgebouwde ouderdomspensioenrechten voor verevening in aanmerking. In de Memorie van Toelichting op de WVPS (Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, blz. 21) staat dat elke betaling welke zijn grond vindt in een toezegging van betaling van ouderdomspensioen mede in de verevening dient te worden betrokken. Op bladzijde 9 van deze Memorie van Toelichting staat dat pensioenvoorzieningen die niet in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn opgebouwd (te weten lijfrenten) buiten de regeling van de WVPS vallen.

Vaststaat dat Rios in 1993 een schadeloosstelling ad ƒ 145.055,-- aan de man heeft toegekend ter zake van de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. De door Rios verstrekte schadeloosstelling is aangewend om een stamrecht te verkrijgen. Deze schadeloosstelling vindt geen grond in een toezegging van betaling van ouderdompensioen. Derhalve moet worden vastgesteld dat de betaling van (lijfrente)uitkeringen die uit hoofde van de stamrechtovereenkomst verschuldigd is, geen grondslag vindt in een toezegging van betaling van ouderdompensioen. De omstandigheid dat een voormalige advocaat stamrechtvoorziening als “pensioenvermogen” van heeft aangeduid, doet aan het voormelde niet af.

Nu het stamrecht niet als een pensioengerelateerde voorziening kan worden aangemerkt als bedoeld in de WVPS, komt het stamrecht niet voor verevening in aanmerking.

Rechtbank Utrecht, 16 juni 2010, LJN BM9266