Aan de grond voor beëindiging van het gezamenlijk gezag is voldaan; klemcriterium. Man wordt belast met eenhoofdig gezag.

Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag na ontbinding van het huwelijk gezamenlijk blijven uitoefenen. Ingevolge artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

JBRA heeft ter zitting in hoger beroep op 17 augustus 2015 te kennen gegeven in dit gezin betrokken te zijn geweest in verband met de voortdurende strijd tussen de ouders. De kinderen houden veel van hun moeder, maar zijn er moe van dat hun ouders er steeds niet samen uit kunnen komen. Zij willen dat die situatie wordt beëindigd. JBRA heeft geconstateerd dat er, sinds de kinderen bij de man verblijven en sinds de rechtbank de man heeft belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen, meer rust is voor de kinderen. De ouders hebben een traject gevolgd bij Mentrum (Centrum voor relationele therapie). Dit traject is na een jaar beëindigd, met de conclusie dat de vrouw niet in staat is de strijd los te laten. JBRA is op basis van het voorgaande van mening dat de rechtbank terecht het verzoek van de man heeft toegewezen en dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voor gezamenlijk gezag is het van belang dat ouders in staat zijn belangrijke beslissingen omtrent de kinderen samen te nemen. Zij moeten hierbij in staat zijn met elkaar te communiceren en samen te werken. In de onderhavige zaak is dit al jarenlang niet het geval. De ouders verschillen te veel van mening over essentiële zaken. De kinderen zitten reeds enige tijd in een loyaliteitsconflict. De noodzakelijke hulpverlening is steeds niet van de grond gekomen, omdat de ouders ook daarover van mening verschillen. Uiteindelijk is het traject bij Mentrum opgestart nadat er een schriftelijke aanwijzing is gegeven door JBRA. Dit traject is afgerond, doch heeft niet de noodzakelijke wijziging in de communicatie en de onderlinge verstandhouding tussen de ouders teweeg gebracht, aldus de Raad.

Gerechtshof:

Partijen hebben sinds hun uiteengaan op verschillende manieren geprobeerd hun onderlinge verhouding en communicatie te verbeteren. Zo zijn zij al diverse malen met elkaar in therapie en mediation geweest en hebben zij onlangs een traject gevolgd bij Mentrum (Centrum voor relationele therapie). Tot op heden heeft geen van deze pogingen geleid tot een verbetering van de situatie. Op grond van het voorgaande acht het hof het niet aannemelijk dat partijen – ongeacht de vraag aan wie dit ligt – in staat zijn om op een toereikende manier met elkaar te overleggen over de kinderen en om gezamenlijk belangrijke beslissingen over hen te nemen. Gelet op de diverse therapieën en mediationtrajecten, die partijen reeds zonder resultaat hebben gevolgd, acht het hof het evenmin aannemelijk dat de communicatie tussen partijen binnen afzienbare tijd zodanig zal verbeteren dat zij daartoe in de nabije toekomst wel in staat zullen zijn.

Zowel de Raad als JBRA hebben te kennen gegeven dat de kinderen in een loyaliteitsconflict lijken te zijn terechtgekomen door de voortdurende strijd tussen de ouders. Mede in verband hiermee zijn de kinderen in 2013 onder toezicht gesteld. Uit de afsluitingsrapportage van JBRA van 25 maart 2015 blijkt dat de kinderen emotioneel lijden onder de situatie van strijd tussen de ouders, hetgeen een negatief effect heeft op hun ontwikkeling. [kind 1] presteerde hierdoor slechter op school en [kind 2] was stiller geworden. De uitspraken van de rechtbank omtrent de hoofdverblijfplaats en het eenhoofdig gezag, hebben de kinderen echter meer rust gebracht, als gevolg waarvan de ondertoezichtstelling is beëindigd, aldus de rapportage. Het voorgaande kan tevens worden afgeleid uit de onder 1.9 genoemde brieven die de kinderen aan het hof hebben gestuurd. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande in voldoende mate dat de kinderen reeds klem zitten tussen de ouders, dan wel klem of verloren zullen raken bij voortzetting van het gezamenlijk gezag.

Aan de grond voor beëindiging van het gezamenlijk gezag is derhalve voldaan. Hoewel de vrouw naar het oordeel van het hof een aantal terechte zorgen omtrent door de man genomen beslissingen naar voren heeft gebracht, is het hof van oordeel dat dit niet tot een ander oordeel leidt. Die zorgen zijn niet zodanig van aard dat aan een verantwoorde gezagsuitoefening door de man moet worden getwijfeld. Veeleer dient te overwegen dat de kinderen op dit moment te veel lijden onder de situatie waarin de ouders niet in staat zijn gezamenlijk beslissingen te nemen. Aan deze situatie dient een einde te komen.

Slotsom is dat het hof van oordeel is dat de rechtbank terecht het verzoek van de man om hem met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten heeft toegewezen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

Gerechtshof Amsterdam 13 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4231