Dient de ontbindingsvergoeding van de man als inkomen voor het bepalen van zijn draagkracht in aanmerking te worden genomen en zo ja, op welke wijze?

De man betoogt dat de vergoeding buiten beschouwing dient te worden gelaten, omdat de man deze moet aanwenden voor het dichten van het pensioengat dat ten gevolge van zijn ontslag bij [bedrijf] is ontstaan. Hierin volgt het hof hem hierin niet. Hetgeen namens de vrouw daarover ter zitting in hoger beroep is verklaard, is toereikend om te concluderen dat de man de ontbindingsvergoeding niet heeft benut ten behoeve van zijn pensioen, maar dat hij deze heeft laten uitkeren. Volgens de vrouw heeft de man reeds aan pensioenopbouw gedaan. Hij heeft nog maar de leeftijd van 51 jaren, en zodra hij weer ander werk zal hebben – waarnaar hij naar zijn zeggen nog steeds op zoek is – zal zijn pensioenopbouw verder worden voortgezet. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat thans een zodanige noodzaak bestaat om de ontbindingsvergoeding aan te wenden voor het dichten van een pensioengat, dat dit voorrang heeft ten opzichte van zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw.

Volgens de vrouw had de man aanspraak op een ontbindingsvergoeding van € 30.000,-; dit bedrag zou hij zonder meer toegewezen hebben gekregen indien hij hierop aanspraak zou hebben gemaakt. Hij heeft kennelijk ingestemd met een lagere ontbindingsvergoeding, omdat hij zijn ontslag snel wilde afhandelen, aldus de vrouw. Nu de man het standpunt van de vrouw gemotiveerd heeft betwist, hij daadwerkelijk € 20.000,- aan ontbindingsvergoeding heeft ontvangen en onvoldoende naar voren is gekomen dat hij een hoger bedrag had kunnen krijgen, zal het hof hiervan uitgaan.
Het vorenstaande brengt mee dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de man zijn gehele ontslagvergoeding van € 20.000,- dient te gebruiken om zijn draagkracht te suppleren.

De rechtbank heeft ter zake van de ontbindingsvergoeding van € 20.000,- gedurende “ruim twee jaar” (het hof begrijpt: 25 maanden) € 800,- bruto opgeteld bij zijn inkomen. De man stelt dat van de vergoeding om fiscale redenen gedurende die periode slechts € 384,- netto per maand bij zijn WW-uitkering moet worden opgeteld, naar het hof begrijpt omdat over de uitbetaalde vergoeding reeds in één keer 52% belasting is geheven.
Het hof stelt vast dat de man netto in totaal € 9.600,- aan ontslagvergoeding heeft ontvangen. Afgezien van deze vergoeding bedraagt zijn draagkracht, zoals hiervoor overwogen, bruto € 706,- per maand. Om aan de aanvullende behoefte van de vrouw van bruto € 972,- per maand te kunnen voldoen, dient de man dus maandelijks een brutobedrag van € 266,- te suppleren. Aan de hand van de “methode Buijs” berekent het hof dat hij daartoe iedere maand van zijn netto-ontslagvergoeding een bedrag van € 154,- dient in te zetten. Daaruit volgt dat de man, bij gelijkblijvende overige financiële omstandigheden van partijen, in staat is gedurende 62 maanden vanuit zijn netto ontslagvergoeding te suppleren. Daarna (d.w.z. per 1 januari 2020) valt hij in beginsel terug op zijn draagkracht van € 706,-. Dit ligt evenwel nog zover in de toekomst, met alle overige onzekerheden van dien, dat het hof het niet zinvol acht de verlaging van de alimentatie die dat tot gevolg zal hebben reeds nu in het dictum van deze beschikking vast te leggen.
Bij deze stand van zaken laat het hof in het midden of de man daadwerkelijk 52% belasting heeft moeten betalen over zijn ontbindingsvergoeding. De vrouw heeft dat weliswaar in twijfel getrokken, maar ook bij een belastingdruk van 52% is de man dus al in beginsel in staat gedurende 62 maanden, derhalve tot ver in de toekomst, te suppleren.

Uit een door het hof gemaakte vergelijking van de financiële situatie van ieder der partijen volgt niet dat de vrouw door een uitkering van bruto € 972,- per maand ten opzichte van de man zou worden bevoordeeld.

Gerechtshof Amsterdam 11 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3276