Omgang grootmoeder. Verwijzing vanuit België op grond van art. 15 Brussel IIbis.

Toepasselijk recht

3.9.1.
Het geschil betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb.1997, 299 (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Dit verdrag gaat uit van het Gleichlauf-beginsel: de rechter die bevoegd is, past zijn eigen recht toe (artikel 15 lid 1).
Voorts bepaalt artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dat de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, wordt de uitoefening beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats.

3.9.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen thans in Nederland is en het hof zich bevoegd acht op het hoger beroep te beslissen, zal het hof het verzoek van de grootmoeder naar Nederlands recht beoordelen.

Omgang (recht op persoonlijk contact)

3.10.1.
Ingevolge lid 2 van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

3.10.2.
Nog daargelaten de vraag of tussen de grootmoeder en de kinderen een nauwe persoonlijke betrekking bestaat is het hof van oordeel dat, hoewel omgang met een grootouder in beginsel in het belang van een kind moet worden geacht, het zwaarwegende belang van de kinderen zich thans tegen omgang met de grootmoeder verzet.
Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.10.3.
Uit de overgelegde stukken en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat de verstandhouding tussen de grootmoeder en de ouders thans zodanig ernstig is verstoord, dat het voor de ouders, mede gelet ook op de grote druk die er op het gezin ligt in verband met de medische situatie van de kinderen en die van de moeder, niet mogelijk is vorm te geven aan een omgangsregeling tussen de grootmoeder en de kinderen. De gebrouilleerde verhouding tussen partijen biedt evenmin voldoende basis voor bemiddeling tussen de grootmoeder en de ouders. Een eerder aangegaan bemiddelingstraject, zo is onweersproken door de ouders gesteld, heeft ook niet geleid tot een verbetering van de verstandhouding, maar tot een escalatie. Het voorgaande brengt mee dat omgang tussen de grootmoeder en de kinderen op dit moment naar het oordeel van het hof in strijd moet worden geacht met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof zal het verzoek van de grootmoeder tot omgang met de kinderen dan ook alsnog afwijzen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 december 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:5270