Kinderrechter wijzigt op schriftelijk verzoek van de minderjarigen het vonnis in kort geding en bepaalt dat er geen omgang meer geldt tussen de vader en de kinderen.

De kinderrechter heeft alle stukken gelezen en het beeld is ontstaan dat vader altijd een liefdevolle vader voor de kinderen is geweest maar dat het de kinderen niet lukt om afspraken met vader te maken, anders dan wat het meest overeenkomt met zijn eigen planning en/of belangen. Het feit dat vader vindt dat zijn nieuwe partner deel uitmaakt van zijn leven en dat de kinderen dat moeten accepteren maakt dat de toch al heftige scheiding tussen de ouders voor de kinderen moeilijk te verwerken is.

Zowel uit de rapportages als uit hetgeen ter zitting is besproken komt naar voren dat tussen de ouders geen enkele vorm van overleg mogelijk is. Vader wenst geen enkel gesprek met moeder aan te gaan en evenmin met de gezinsvoogdes mevrouw [F] , mevrouw [G] of met de kinderrechter. Vader lijkt niet in staat te zijn om zich aan te sluiten bij de emotionele behoefte van de kinderen en een binding met de kinderen te maken door ook rekening met hun wensen en gevoelens te houden.

Na beraad is de kinderrechter van oordeel dat het weinig zinvol is om de voorlopige omgangsregeling, zoals die is vastgelegd in het kort geding vonnis, in stand te laten.

Om uitvoerig in te gaan op de stellingen en standpunten van de ouders is niet aan de orde. De ouders hebben immers geen verzoekschrift ingediend dan wel voorgelegd waarop moet worden beslist. De mening van de kinderen is duidelijk geworden en hun belang bij het voorleggen van hun verzoek is voldoende toegelicht in de stukken. De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat in deze beschikking wordt bepaald dat er niet langer sprake zal zijn van een rechtens afdwingbare omgangsregeling zoals vastgelegd in het kort geding vonnis. Uiteraard staat het vader vrij om in een bodemprocedure anders te verzoeken.

Rechtbank Overijssel 15 september 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:5742