Welke middelen kunnen worden ingezet om te voorkomen dat de definitieve voorzieningen de voorlopige voorzieningen vervangen?

5.1
Het hof heeft besloten het verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken in de door het hof te wijzen eindbeschikking afzonderlijk te behandelen. Tijdens de mondelinge behandeling van 17 november 2015 is de zaak dan ook niet verder inhoudelijk behandeld.

5.2
De man stelt dat hij weliswaar zelf heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken, maar hij meent op grond van bijzondere omstandigheden dat de echtscheiding pas dient te worden uitgesproken op moment dat hof ook beslist op de nevenvoorzieningen. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt hij - samengevat - dat de rechtbank van een aantal feiten geen kennis meer kunnen nemen omdat zij na de mondelinge behandeling van 11 april 2014 geen nieuwe stukken meer heeft willen accepteren. Bij inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand komt een einde aan de getroffen voorlopige voorziening en gaat er voor hem dan een onderhoudsplicht gelden van € 8.310,- bruto per maand, terwijl vaststaat dat hij geen enkele draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. De vrouw betwist dat de door de man gestelde bijzondere omstandigheden van dien aard zijn dat de band tussen echtscheiding en nevenvorderingen dient te worden hersteld.

5.3
Ingevolge artikel 827 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter, ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, nevenvoorzieningen treffen. Het is vaste jurisprudentie dat indien eenmaal door de rechter in eerste aanleg de echtscheiding is uitgesproken voordat over verzochte nevenvoorzieningen is beslist, het hoger beroep slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden aangewend teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken.

5.4
Het hof is van oordeel dat de door de man aangevoerde feiten en omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden aangemerkt en overweegt daartoe als volgt. De man heeft de rechtbank verzocht om echtscheiding uit te spreken omdat het huwelijk tussen hem en de vrouw duurzaam was ontwricht. De man heeft in eerste aanleg op het punt van de door hem verzochte echtscheiding de uitspraak gekregen waarom hij had verzocht, zodat hij geen te respecteren processueel belang heeft om in hoger beroep die beslissing aan te tasten. Daarbij komt dat de man de duurzame ontwrichting van het huwelijk in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft betwist; de door hem bedoelde stukken die door de rechtbank niet meer zijn geaccepteerd, hebben daarop ook geen betrekking. Voor zover de man wenst te voorkomen dat er een einde komt aan de werking van de bij beschikking van 21 januari 2015 getroffen voorlopige voorziening en voor hem een onderhoudsverplichting gaat gelden van € 8.310,- per maand, staan hem de middelen van een kort geding dan wel een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ter beschikking.

5.5
Het hof zal het verzoek van de man de echtscheiding uit te spreken in de te wijzen eindbeschikking waarin tevens is beschikt over de verzochte nevenvoorzieningen afwijzen, de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover deze de uitgesproken echtscheiding betreft, en alle verdere beslissingen aanhouden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9979