Vernietiging dossier AMK. Aan welke normen dient er te worden voldaan?

In artikel 36 lid 1 WBP is geregeld dat de betrokkene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende persoons- gegevens, de verantwoordelijke kan verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

Ingevolge artikel 55 lid 2 WJZ bewaart de stichting, voor zover deze de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b en e, uitoefent, de bescheiden tot het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden. Ingevolge artikel 10, eerste lid onder e WJZ heeft de stichting tot taak te fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling.

Ingevolge artikel 56 lid 1 jo. lid 2 WJZ vernietigen de stichtingen en de zorgaanbieders de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben, behoudens voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor aangehaalde artikelen 55 en 56 WJZ het wettelijk kader vormen voor de vraag of het dossier van de ouders dient te worden vernietigd. Derhalve dient het hof te toetsen of de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. Aannemelijk gemaakt moet kunnen worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang te zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.

Ter zitting is gebleken dat de stichting drie categorieën hanteert voor de beoordeling of een dossier bewaard dan wel vernietigd dient te worden: de gegronde melding, de ongegronde melding en de niet bevestigde melding. De melding die ten aanzien van de ouders is gedaan behoort volgens de stichting tot de laatste categorie. De stichting hanteert bij deze categorie van de niet bevestigde melding het beleid dat het dossier standaard niet wordt vernietigd, maar dat per individueel geval wordt gekeken of tot vernietiging wordt overgegaan.

Ter zitting heeft de stichting verklaard dat zij van mening is dat het belang van het bewaren van het dossier nog altijd aanwezig is gezien de kwetsbaarheid van [Z.]. Dit oordeel is bij gebreke van een nieuwe melding ook thans gebaseerd op de oude gegevens uit 2005/2006. Bij elke latere toetsing wordt steeds uitgegaan van deze oude gegevens. De stichting mist eenvoudig de bevoegdheid om nader te onderzoeken of inmiddels wijziging is gekomen in deze oude gegevens.
Een zekere feedback ontvangt de stichting wél, doordat in deze categorie van niet-bevestigde meldingen een nieuwe melding in ongeveer de helft van de gevallen binnen één à twee jaar na de oude melding wordt gedaan. Daarna komen nieuwe meldingen veel minder vaak voor.

In het onderhavige geval heeft de melding onder meer bestaan uit het feit dat de ouders de behoefte van [Z.] aan bijzonder onderwijs niet zouden erkennen. Ten aanzien van de schoolkeuze – de ouders wilden dat [Z.] naar het normaal onderwijs zou gaan zodat zij zich niet buiten de samenleving geplaatst zou voelen – kan naar het oordeel van het hof thans worden geconcludeerd dat deze keuze niet ongerechtvaardigd is geweest. De ouders hebben aangegeven dat [Z.] nog altijd naar dezelfde school gaat en dat zij daar door haar leeftijdgenootjes wordt geaccepteerd en goede resultaten behaalt.
[Z.] heeft een “rugzakje” en ontvangt nog altijd ambulante hulpverlening en remedial teaching. Hoewel [Z.] kampt met gehoorproblemen, worden deze volgens de ouders door de huidige hulpverlening ondervangen.
Hoewel de stichting ter zitting heeft aangeven dat zij datgene wat de ouders ten aanzien van [Z.] hebben verklaard niet kan bevestigen dan wel betwisten, heeft de stichting daarnaast verklaard dat met de voor [Z.] ingeschakelde hulpverlening is afgesproken dat zij een melding bij het AMK zouden doen als zij dat nodig achten. Het hof is van oordeel dat in deze situatie van de juistheid van de verklaringen van de ouders ten aanzien van de huidige situatie van [Z.] zoals gedaan ter zitting dient te worden uitgegaan. Van een kwetsbare situatie van [Z.] kan thans naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gesproken.

Het hof is van oordeel dat voor de vraag of een dossier dient te worden vernietigd het tijdsverloop eveneens een rol speelt. Het onderzoek door het AMK naar de anonieme melding van kindermishandeling in het gezin van de ouders is op 18 april 2006 afgerond. Sindsdien is inmiddels een periode van vier jaar verstreken in welke periode niet opnieuw een melding van kindermishandeling is gedaan. Op basis van het hiervoor in 3.6.7. vermelde is de kans dat een nieuwe melding zal worden gedaan door het tijdsverloop aanzienlijk kleiner geworden.

Het voorgaande overwegend komt het hof tot het oordeel dat in het gegeven geval niet wordt voldaan aan de onder 3.6.6. weergegeven toetsingsnorm en dat de bewaring niet van aanmerkelijk belang is voor de stichting. Het hof is derhalve van oordeel dat het belang van de ouders zwaarder dient te wegen dan het belang van de stichting bij het behoud van het dossier.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de ouders om het dossier te vernietigen alsnog toewijzen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 juni 2010, LJN BM8175