In een periodiek verrekenbeding is opgenomen dat "netto inkomsten uit arbeid" verrekend moeten worden. Vallen hier eveneens de ondernemingswinsten onder?

Bij de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden wordt in de praktijk steeds meer aansluiting gezocht bij de bedoeling van partijen bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden. In deze zaak lagen de feiten als volgt:
De vrouw werkte vanaf haar 14de jaar in de onderneming van de man. De man exploiteerde de onderneming voor het huwelijk in de vorm van een eenmanszaak. De balans van de onderneming is in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden opgenomen. Uit de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden volgt expliciet dat de “onderneming” door de man is aangebracht. De vrouw wist dus dat de onderneming van de man was. Dat de man voor het huwelijk al bezig was met de omzetting van de eenmanszaak in een BV acht het hof aannemelijk, gelet op de datum waarop deze omzetting is gerealiseerd. De vrouw is kort na het huwelijk direct betrokken geweest bij de oprichting van de BV, aangezien zij een aandeel in de BV heeft verkregen. De man heeft gesteld dat voorafgaand aan het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden bij de notaris over de inhoud van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is gesproken en ook over de inhoud van de akte inzake de oprichting van de besloten vennootschap.
Onder die omstandigheden vond het gerechtshof dat de vrouw geen aanspraak kon maken op de ondernemingswinsten van de B.V. Het gerechtshof overwoog dit als volgt:
" Gezien de formulering van het inkomensbegrip in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, waarin niet is opgenomen dat hier ook ondernemingswinsten onder worden begrepen, het feit dat de balans van de onderneming in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is opgenomen, de vrouw wist dat de man ondernemer was, het niet de bedoeling van de man is geweest dat de vrouw enige aanspraak op de onderneming zou verkrijgen en de inhoud van de huwelijkse voorwaarden vooraf met de notaris is besproken, mocht de man er in redelijkheid op vertrouwen dat de vrouw geen aanspraken zou krijgen op de onderneming en dat het inkomensbegrip zodanig dient te worden uitgelegd dat hiermee uitsluitend is bedoeld netto inkomsten uit arbeid."
Gerechtshof 's-Gravenhage 5 november 2008,
LJN BG4993.