Huwelijkse voorwaarden en uitsluiting van verevening pensioenrechten.

Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat met de bepaling van art. 11 WVP dat slechts dan geen pensioenverevening overeenkomstig die wet plaatsvindt indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding "uitdrukkelijk" anders hebben bepaald, gedoeld wordt op een bepaling die expliciet op het verevenen van pensioenrechten betrekking heeft (vgl. HR 24 oktober 1997, nr. 8959, LJN ZC2473, NJ 1999/ 395), met dien verstande dat niet is vereist dat partijen in een zodanige bepaling met zoveel woorden de pensioenverevening als voorzien in de WVP hebben uitgesloten. Van een "uitdrukkelijk" uitsluiten in de zin van art. 11 WVP kan daarom eveneens sprake zijn ingeval partijen in hun huwelijkse voorwaarden met het oog op een eventuele scheiding hebben bepaald dat (bepaalde) pensioenrechten niet worden verrekend. Tegen die achtergrond geeft het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval sprake is van huwelijkse voorwaarden waarbij partijen "uitdrukkelijk anders hebben bepaald" als bedoeld in art. 11 WVP, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het in dat artikel opgenomen vereiste. De klacht faalt dus.

Hoge Raad 19 november 2010, LJN: BN7893