Verrekening kinderalimentatie met in het verleden teveel betaalde kinderalimentatie mogelijk

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2006, NJ 2007, 173 moet worden afgeleid dat zich echter bij (hoge) uitzondering ook buiten de gevallen van een feitelijke of juridische misslag of nieuwe feiten en omstandigheden, misbruik van executiebevoegdheid kan voordoen. Een dergelijk geval deed zich in de aangehaalde uitspraak voor, aangezien daar vaststond dat de geëxecuteerde aan de verbintenis tot nakoming waartoe hij bij het te executeren vonnis was veroordeeld, al had voldaan, zij het - zoals achteraf was komen vast te staan - al voordat het arrest was gewezen en niet pas daarna. Het te executeren arrest is dan materieel uitgewerkt aangezien de verbintenis tot nakoming waarvoor wordt geëxecuteerd, al is teniet gegaan door voldoening van de vordering. In een zodanig geval levert executie van een arrest misbruik van recht op. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt onder het door betaling tenietgaan van de verbintenis tot nakoming waarvoor wordt geëxecuteerd in beginsel ook het tenietgaan van de verbintenis door verrekening met een tegenvordering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient dan ook te worden beoordeeld of in de gegeven omstandigheden plaats is voor verrekening. In dat verband overweegt hij als volgt.

De heeft betaald ter voldoening aan de verplichting die hem aanvankelijk door de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking was opgelegd. De vrouw heeft terecht opgemerkt dat het gerechtshof in de beschikking van 31 augustus 2010 niet heeft bepaald dat zij het teveel ontvangen bedrag dient terug te betalen, al dan niet door middel van verrekening. De man ontleent zijn aanspraak op verrekening aan de beschikking van het gerechtshof, die inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan en waardoor hetgeen hij op grond van de andersluidende beslissing in eerste aanleg heeft voldaan, onverschuldigd is betaald. Dat het gerechtshof niet expliciet heeft afgewogen in hoeverre in redelijkheid van de vrouw kan worden gevergd dat zij het teveel betaalde moet terugbetalen - al dan niet door middel van verrekening - maakt het voorgaande niet anders. Dit brengt mee dat voor een beoordeling van het door de vrouw ingenomen standpunt dat in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd dat zij gehouden is tot terugbetaling, thans geen plaats meer is. Dat de vrouw in dat verband heeft opgemerkt dat zij leeft van een inkomen onder bijstandsniveau en dat zij de door de man betaalde onderhoudsbijdrage heeft aangewend voor het levensonderhoud van de kinderen van partijen, doet daaraan niet af.

Vorenstaande leidt ertoe dat het onverschuldigd door de man aan de vrouw betaalde bedrag in beginsel kan worden verrekend met toekomstige door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdragen. Evenwel stelt de voorzieningrechter vast dat overeenkomstig artikel 6:135 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) jo artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en onder verwijzing naar Hoge Raad 3 december 1999, NJ 2000, 86, een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover op de vordering van zijn wederpartij beslag niet geldig zou zijn.

Ingevolge artikel 475c, aanhef en sub f Rv is een beslagvrije voet verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen tot levensonderhoud. De omvang van voormelde beslagvrije voet wordt nader gespecificeerd in artikel 475d Rv. Verrekening op de voet van artikel 6:135 BW met een vordering tot levensonderhoud is dus slechts mogelijk, mits daarbij rekening wordt gehouden met voormelde beslagvrije voet.

Rechtbank Leeuwarden 15 december 2010, LJN: BO7520