Wanneer kan een overeengekomen verdeling worden vernietigd wegens dwaling op grond van art. 3:196 BW?

Het gaat in deze zaak om de zogenaamde "laesio enormis". Benadeling voor meer dan kwart levert een vermoeden van dwaling op. Het is dan aan de andere partij om het bewijs te leveren dat er niet gedwaald werd. Dit alles is in de wet geregeld in artikel 3:196 BW.
In de zaak waarom het hier ging kon de man het bewuste bewijs niet leveren waardoor de verdeling zoals overeengekomen in het echtscheidingsconvenant werd vernietigd.
De moraal is dat het van groot belang is dat de cijfers worden besproken voordat een overeenkomst wordt gesloten zodat beide partijen weten waarover wordt gecontracteerd. Voorts is het van belang zijn dat partijen worden voorzien van deskundige bijstand.
Deze situatie zie ik nogal eens in mijn praktijk van partijen die een doe-het-zelf convenant hebben gemaakt en op deze wijze de zaak snel geregeld hebben zonder aandacht te besteden aan de juridische voetangels en klemmen.
Gerechtshof Arnhem, 21 juli 2009, LJN
BJ3787.