Vrouw verzoekt pas na 10 jaar na de echtscheiding om partneralimentatie. Lotsverbondenheid?

Het hof oordeelt als volgt. De onderhoudsverplichting tussen echtgenoten vindt haar rechtsgrond in de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen. De door een huwelijk ontstane lotsverbondenheid vormt de basis waarop partneralimentatie is gegrond. Vast staat dat de vrouw, nu zij gedurende tien jaren na de echtscheiding geen aanspraak heeft gemaakt op een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, steeds in staat is geweest om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat de vrouw, zoals zij heeft gesteld, ervoor heeft gekozen om het door haar na de echtscheiding in het kader van de overbedeling ontvangen bedrag van € 45.000,- te gebruiken om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, doet daaraan niet af. De vrouw is tot in 2014, te weten ruim tien jaar na de echtscheiding, geheel financieel onafhankelijk van de man geweest.

Gelet op vorenstaande omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat nu, na ruim tien jaar na de echtscheiding, in redelijkheid niet meer kan worden gesproken van een uit het huwelijk voortvloeiende lotsverbondenheid tussen partijen waarop een onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw kan worden gebaseerd. De omstandigheid dat de vrouw een vordering op de man heeft uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap leidt niet tot een ander oordeel. Partijen hebben dienaangaande een regeling getroffen en de vrouw is akkoord gegaan met de voorwaarden over de opeisbaarheid van deze vordering. Dat zelfde geldt voor de (door de man bestreden) stellingen van de vrouw over de verkoop van de woning van de vader van de vrouw.

Nu daarmee de eerste grief van de man slaagt behoeven zijn overige grieven, alsmede de grieven van de vrouw in haar incidenteel hoger beroep, geen bespreking meer van het hof.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7377