Moeten huwelijkse voorwaarden alsook een eventuele voorovereenkomst tot huwelijkse voorwaarden op grond van het bepaalde in de artikelen 6:226 BW jo 1:115 BW bij notarièˆle akte worden aangegaan op straffe van nietigheid? (Zweedse vrouw)

3.1 Partijen zijn op 31 mei 1995 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Zweedse. Het huwelijk is op 16 januari 2002 ontbonden door inschrijving van de beschikking waarbij echtscheiding is uitgesproken.

3.2 Het gaat in deze procedure om de - naar Nederlands recht te beoordelen - verdeling van de ontbonden gemeenschap. De man heeft voor de Rechtbank en voor het Hof tevergeefs bepleit dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de in art. 1:100 lid 1 BW neergelegde regel dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant. De door de man gestelde bijzondere omstandigheden zijn, in de samenvatting van het Hof, gelegen in de omvang van zijn vermogen en in het feit dat in een periode waarin de man het zeer druk had met zijn zaken de vrouw aandrong op een spoedig huwelijk in verband met de verkrijging van een verblijfsvergunning en haar wens een winkel te openen in Nederland; daarbij zou de vrouw meermalen te kennen hebben gegeven dat het haar niet om het geld van de man te doen was, waaruit de man meende te kunnen afleiden dat zij bereid was mee te werken aan het opstellen van huwelijksvoorwaarden na sluiting van het huwelijk; aangezien tussen hem en de vrouw daarover overeenstemming bestond, traden zij in het huwelijk; na de huwelijkssluiting heeft de vrouw geweigerd haar medewerking te verlenen aan het opstellen van de door de man voorgestelde huwelijkse voorwaarden; de man is van mening dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwen in haar.

3.3 Het middel keert zich tegen rov. 3.3 van het Hof, waarin het Hof - evenals de Rechtbank - de door de man aangevoerde omstandigheden niet toereikend heeft geoordeeld.

3.4 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Nu partijen gehuwd waren in algehele gemeenschap van goederen en zij geen echtscheidingsconvenant hebben gemaakt, geldt de in art. 1:100 lid 1 BW neergelegde regel van verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. Een afwijking van die regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (HR 7 december 1990, nr. 14036, NJ 1991, 593).

3.5 De hiervóór in 3.2 vermelde door de man aangevoerde omstandigheden zijn evenwel noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang zo uitzonderlijk dat een afwijking als zo-even bedoeld gerechtvaardigd is. Dit geldt ook voor de door het Hof bij de beoordeling betrokken omstandigheid dat volgens de man tussen partijen overeenstemming bestond over het alsnog, na de huwelijkssluiting, opstellen van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden. Hierbij verdient aantekening dat, gelet op het bepaalde in art. 6:226 in verbinding met art. 1:115 BW, ook een voorovereenkomst tot het tot stand brengen van (enige voldoende bepaalbare vorm van) huwelijkse voorwaarden niet vormvrij zou kunnen worden aangegaan. De door art. 1:115 voor het aangaan van huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid voorgeschreven notariële tussenkomst strekt immers mede tot bescherming van de partijen bij de op te stellen akte van huwelijkse voorwaarden.

Hoge Raad 27 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7541