Einde gezamenlijk gezag door het ontbreken van iedere communicatie

De ouders zijn, anders dan doorgaans wordt gezien en ervaren door ex-partners, en ondanks de geboden hulpverlening, niet in staat gebleken de negatieve situatie die na de ontbinding van het huwelijk is ontstaan in positieve zin bij te sturen. Sinds eind 2007 ontbreekt iedere vorm van communicatie tussen de ouders. Nu de doorgaans te verwachten normalisering van de betrekkingen tussen ex-partners na echtscheiding niet heeft plaats gevonden, is in dat opzicht sprake van een wijziging van omstandigheden.

Het hof acht het niet aannemelijk dat de situatie van totale afwezigheid van enige communicatie tussen de ouders binnen afzienbare tijd zal veranderen. Er bestaat een groot wantrouwen tussen de ouders en er is een voortdurende strijd tussen hen gaande, wat nadelig is voor de minderjarigen; zij lijden onder de al jarenlang bestaande spanningen. Naar het oordeel van het hof is voldoende vast komen te staan dat de vader, op het moment dat er nog sprake was van gezamenlijk gezag, niet op verantwoorde wijze invulling wist te geven aan zijn rol als gezagsdragende ouder. De vader heeft om hem moverende redenen gedurende langere tijd geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de noodzakelijke hulpverlening voor de minderjarige [X]. De hulp die [X] nodig had, is daardoor in het gedrang gekomen. Het hof acht het niet onwaarschijnlijk dat de vader ook in de toekomst zal weigeren zijn medewerking te verlenen aan voor de minderjarigen noodzakelijke hulpverlening. Bovendien, zo heeft de moeder onweersproken gesteld, heeft de vader geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de verstrekking van een paspoort voor de minderjarigen. Het gezamenlijk gezag gaf aanleiding tot conflicten. Ook voor de toekomst is de vader niet bereid samen met de moeder beslissingen over de minderjarigen te nemen. Desgevraagd heeft de vader ter terechtzitting verklaard dat hij, zonder dit aan de moeder kenbaar te maken en dit met de moeder te overleggen, zelf de minderjarigen zal aanmelden bij hulpverlenende instanties indien hulpverlening naar zijn mening noodzakelijk is. Deze gerichtheid op een verregaande autonome invulling van gezag verdraagt zich niet goed met het verlangen van de vader dit gezag met de moeder te delen. Het hof is van oordeel dat het overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, sub b, BW in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat het gezag over hen wordt gewijzigd, in die zin dat de moeder voortaan het gezag over de minderjarigen alleen uitoefent. In zoverre dient de bestreden beschikking te worden bekrachtigd.

Gerechtshof 's-Gravenhage, 22 september 2010, LJN: BN8164