Partneralimentatie. Afbouwregeling.

Thans dient het hof te beoordelen of van de vrouw - op termijn - gevergd kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Bij deze beoordeling laat het hof enerzijds meewegen dat de vrouw een goede opleiding heeft genoten en dat uit de relatie geen kinderen zijn geboren. Anderzijds spelen beperkingen aan de zijde van de vrouw, die voor een (groot) deel zijn terug te voeren op het huwelijk met de man en haar verblijf in Nederland als uitvloeisel van hun relatie, een rol. Voorts betrekt het hof bij de beoordeling de omstandigheid dat de man al sinds 2010 een maandelijkse bijdrage aan de vrouw betaalt.

De vrouw is natuurkundige, maar zij is al jarenlang niet meer werkzaam op haar oorspronkelijke vakgebied. Zij heeft zich de afgelopen jaren met instemming van de man gericht op ontwikkelingssamenwerking, met welke werkzaamheden zij, behoudens in 2011, nauwelijks inkomen heeft verdiend. Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het ter zitting verhandelde voldoende is gebleken dat de vrouw zich inspant en activiteiten ontplooit op dit vakgebied. Zo heeft zij onlangs een onderzoeksartikel geschreven, waaruit mogelijk andere werkzaamheden voort zullen vloeien. De inspanningen van de vrouw hebben vooralsnog echter geen stabiele en substantiële inkomstenbron opgeleverd.

Daarnaast heeft de vrouw gezondheidsklachten. Het einde van het huwelijk van partijen heeft een impact op haar psychische gezondheid gehad. Voorts lijdt zij aan hoofdpijn en chronische rug- en nekklachten, waarvoor zij onder behandeling is bij het Centrum Fysiotherapie en Fysiotraining, zo blijkt uit een door de vrouw overgelegde brief van dit centrum van 27 mei 2015. Deze klachten had zij (in mindere mate) reeds ten tijde van het huwelijk.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de vrouw op dit moment niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof echter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd dat haar achterstand op de arbeidsmarkt op termijn niet meer geheel dan wel gedeeltelijk valt in te halen. Evenmin heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat haar verdiencapaciteit als gevolg van haar gezondheidsklachten blijvend is verminderd, laat staan verdwenen. Het hof is dan ook van oordeel dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij zich inspant om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Het hof acht het daarbij redelijk dat de vrouw enige tijd gegund wordt om zich zodanige inkomsten uit arbeid te verwerven dat zij daarmee in voldoende mate in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof zal de alimentatie daarom afbouwen over een periode van acht jaar, waarbij de alimentatie vijf jaar lang in de volledige behoefte van de vrouw zal voorzien, en daarna jaarlijks met 25% afgebouwd zal worden tot een nihilstelling.

De vrouw krijgt in deze regeling naar het oordeel van het hof voldoende tijd om haar positie op de arbeidsmarkt (verder) te versterken en zich eventueel te laten omscholen. Het hof benadrukt in dit verband dat het op de weg van de vrouw ligt om zich, wanneer blijkt dat haar huidige (sollicitatie)activiteiten onvoldoende resultaat opleveren, ook op andere functies en vakgebieden te richten.

Nu het uitgangspunt van het hof is dat de alimentatie de komende vijf jaar behoeftedekkend moet zijn, ziet het hof geen aanleiding de wettelijke indexering uit te sluiten.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen bepaalt het hof de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw:
- met ingang van 23 december 2013 op € 6.464,- per maand;
- met ingang van 23 december 2018 op € 4.848,- per maand;
- met ingang van 23 december 2019 op € 3.232,- per maand;
- met ingang van 23 december 2020 op € 1.616,- per maand;
Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de vrouw met ingang van 23 december 2021 op nihil.

Gerechtshof Amsterdam 11 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3277