Verjaring; ontbinding gemeenschap van goederen; hoofdelijke aansprakelijkheid van voormalige deelgenoot in de gemeenschap voor de helft van een schuld van de andere deelgenoot.

Partijen zijn gescheiden op 25 oktober 2001 en waren gehuwd in gemeenschap van goederen.
Voor een schuld van een echtgenoot, die in de huwelijksgemeenschap valt, kunnen, zo is in artikel 1:95 BW bepaald, de goederen van de gemeenschap worden uitgewonnen. In artikel 1:99 BW is bepaald dat een huwelijksgemeenschap onder meer eindigt door het eindigen van het huwelijk. Zolang de gemeenschap niet is verdeeld, blijft, zo volgt uit artikel 1:100 lid 2 BW, het mogelijk voor een gemeenschapsschuld verhaal op de goederen van de gemeenschap te zoeken. Zou daarnaast niets anders zijn geregeld, dan betekent dit voor schuldeisers van gemeenschapsschulden van de ene ex-echtgenoot dat de toedeling van gemeenschapsgoederen aan de andere ex-echtgenoot, die niet de schuldenaar van de gemeenschapsschuld is, leidt tot verval van de mogelijkheid van verhaal op die gemeenschapsgoederen. In de tweede zin van artikel 1:102 BW is evenwel erin voorzien, dat die andere ex-echtgenoot met de ene ex-echtgenoot hoofdelijk verbonden raakt voor de helft van de gemeenschapsschuld van de ene ex-echtgenoot. Dit moet aldus worden opgevat, zo oordeelt de Hoge Raad in rov. 3.4 van HR 18 oktober 1991, NJ 1992, 421, m.nt. EAAL, dat een echtgenoot na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap als schuldenaar gehouden is tot voldoening van de helft van het bedrag van een gemeenschapsschuld van de andere echtgenoot. Het medeschuldenaar worden is niet te beschouwen als een verkrijging onder algemene of bijzondere titel. Dit valt af te leiden uit HR 23 april 1993, NJ 1993, 373, rov. 3.2. Er is, anders gezegd, niet slechts sprake van een uitbreiding van goederen waarop verhaal kan worden gezocht. De schuldeiser krijgt ingevolge de tweede zin van artikel 1:102 BW alsnog een recht jegens de ene ex-echtgenoot om voldoening te vorderen van de gemeenschapsschuld van de andere ex-echtgenoot, zij het tot de helft daarvan. Voor die vordering kan ook verhaal worden gezocht op goederen, die ten tijde van het bestaan van de huwelijksgemeenschap privé-goederen waren, en op goederen die na de ontbinding van de gemeenschap alsnog worden verworven.
Dit betekent dat het UWV vanaf 25 oktober 2001 - de datum van ontbinding van het huwelijk en het ontbonden raken van de huwelijksgoederengemeenschap - [eiseres] kon aanspreken tot betaling van de helft van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering, en dat [eiseres] voor die helft jegens het UWV hoofdelijk aansprakelijk is. Op de in art. 1:102 BW geregelde hoofdelijkheid zijn de bepalingen van afdeling 6.1.2 BW van toepassing. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling zijn de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren zelfstandig, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (Parl. Gesch. Boek 6, blz. 95). De zelfstandigheid van de vorderingsrechten leidt onder meer ertoe dat verjaring van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet verjaring van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt (vgl. HR 28 mei 1999, nr. C97/318, LJN ZC2911, NJ 2000, 290).
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat nu het vorderingsrecht van het UWV jegens [eiseres] is ontstaan op 25 oktober 2001, de vijfjarige verjaringstermijn van art. 3:309 BW nog niet was verstreken op 20 september 2005, de datum waarop het UWV de vordering tegen [eiseres] aanhangig heeft gemaakt.
Hoge Raad, 8 januari 2010, LJN:
BK1615