Welke rechter is bevoegd te oordelen over de hoofdverblijfplaats als de moeder met het kind naar het buitenland is verhuisd

Op grond van artikel 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 is, kort gezegd, bevoegd de rechterlijke autoriteit van de Staat waar de minderjarige zijn gewone verblijf heeft.

Evenals de rechtbank gaat het hof uit van de peildatum 5 februari 2014, de datum waarop de vader het verzoek bij de rechtbank heeft ingediend. Nagegaan dient te worden met welke plaats het kind op de peildatum de belangrijkste maatschappelijke banden heeft. Bij de beantwoording van die vraag zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat genoegzaam is vast komen te staan dat de moeder en [het kind] op 18 november 2013 definitief zijn vertrokken uit Nederland. De vader heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder en [het kind] na 18 november 2013 nog in Nederland hebben verbleven. Zijn stelling, dat niet zonder meer vaststaat waar de moeder en [het kind] zijn geweest in de periode van december 2013 tot juni 2014, kan het hof niet volgen, temeer niet nu uit de producties, die door de vader in het geding zijn gebracht, blijkt dat [het kind] een kinderdagverblijf op Sint Maarten bezoekt en voorts is gebleken dat de vader in die periode herhaaldelijk telefonisch contact heeft gehad met de werkgever van de moeder op Sint Maarten, waaruit hof opmaakt dat de vader zelf kennelijk ook ervan uitging dat de moeder en [het kind] op Sint Maarten verbleven. Dat er sprake was van een retourticket, hetgeen door de moeder overigens wordt erkend, doet aan het vorenstaande niets af. Het hof acht de verklaring van de moeder hieromtrent, dat op dat moment twee retourtickets voordeliger waren dan twee enkele reis tickets, aannemelijk.

Verder is uit de inhoud van de stukken gebleken dat de moeder sinds 9 december 2013 werk heeft gevonden op Sint Maarten en dat zij en [het kind] een ziektekostenverzekering hebben in Sint Maarten. Voorts blijkt uit de overgelegde Whatsapp-berichten tussen partijen dat de moeder reeds op 19 november 2013 heeft aangegeven aan de vader dat haar toekomst niet in Nederland ligt. Het hof acht het op grond van het vorenstaande dan ook niet aannemelijk dat dat de moeder de intentie had om (permanent) terug te keren naar Nederland. Integendeel, de handelwijze van de moeder sinds 18 november 2013, wijst er naar het oordeel van het hof op dat zij de intentie had om Nederland definitief te verlaten en zich te vestigen op Sint Maarten. Ten aanzien van de uitschrijving in Nederland, is het hof van oordeel dat de moeder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van [het kind] sprake is geweest van een administratieve vergissing, nu, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een gezamenlijk vertrek van [het kind] en de moeder uit Nederland in de rede ligt. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat de moeder en [het kind] op de peildatum reeds 2,5 maand verbleven op Sint Maarten. Uit de stukken is voorts genoegzaam gebleken dat de moeder de intentie heeft zich permanent op Sint Maarten te vestigen en dat het maatschappelijke leven van [het kind] zich afspeelt en naar verwachting zal blijven afspelen op Sint Maarten.

Alles overziende en in overweging nemend is het hof dan ook van oordeel dat [het kind] sinds de peildatum van 5 februari 2014 zijn gewone verblijfplaats op Sint Maarten heeft. De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard van de verzoeken van de vader kennis te nemen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3603