Met welk aflossingsbedrag van schulden aan kennissen en familie houdt de rechter rekening bij de berekening van de draagkracht

Als uitgangspunt geldt dat in beginsel alle schulden moeten worden meegenomen bij de bepaling van de draagkracht. Dat geldt dus ook voor schulden aan familie en kennissen mits deze aannemelijk zijn. In dit geval wordt erover geklaagd dat het gerechtshof een te laag aflossingsbedrag had gehanteerd in de berekening. De AG heeft er het volgende over gezegd:

“ Het onderdeel klaagt slechts over het bestreden oordeel, voor zover het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd dat de man de betrokken leningen heeft gesloten met kennissen dan wel familieleden. Zoals reeds hiervóór (onder 2.7) werd opgemerkt, steunt ’s hofs oordeel mede (en in zoverre in cassatie onbestreden) op de omstandigheid dat de man met zijn schuldeisers niets heeft afgesproken over een vast maandelijks aflossingsbedrag of over de periode waarbinnen de schuld moet zijn afgelost. Reeds die omstandigheid noopte het hof een redelijk te achten aflossingsbedrag vast te stellen. In dat licht houdt het bestreden oordeel (dat kennelijk vooral is ingegeven door de met het gekozen aflossingsbedrag te realiseren redelijke aflossingstermijn van ongeveer tien jaar) stand, óók als zou moeten worden afgezien van de bijzondere relatie tussen de man en zijn schuldeisers.”

ECLI:NL:PHR:2014:285. Deze conclusie werd gevolgd door de HR in een beschikking van 23 mei 2014.