Gemeenschap van goederen. Letselschade-uitkering, verknochtheid en bewijs

In deze echtscheidingsprocedure, waarin over een weer voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap worden verzocht, strijden de echtgenoten over de vraag of en in hoeverre een door de man tijdens het huwelijk ontvangen uitkering tot vergoeding van letselschade, alsmede een door de man vóór het huwelijk aangegane schuld in de verdeling moeten worden betrokken.
Over de letselschade oordeelde de Hoge Raad onder meer:
Of een goed op bijzondere wijze aan één der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vaste rechtspraak sedert een uitspraak van de Hoge Raaf van 23 december 1988, NJ 1989, 700). Een door een van de echtgenoten ontvangen vergoeding van door deze echtgenoot als gevolg van een ongeval geleden schade, is niet reeds hierom een verknocht goed in bedoelde zin omdat de vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. (Dit had de man hier wel gesteld. Er was sprake van een bedrijfsongeval) Tenminste zal (tevens) moeten worden gesteld op welke schade(n) van die echtgenoot de vergoeding betrekking heeft opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja, in hoeverre bedoelde vragen t.a.v. een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo zal bijv. nodig kunnen zijn dat blijkt of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige schade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.
De les uit deze zaak is o.a. dat de letselschade-advocaat erop let dat in een vaststellingsovereenkomst met een verzekeraar goed wordt vastgelegd welk bedrag betrekking heeft op smartengeld, op reeds geleden schade en toekomstige schade. Als gebeurd is dan dient de echtscheidingsadvocaat de vaststellingsovereenkomst over te leggen aan de rechter zodat duidelijkheid komt over de bovengenoemde door de Hoge Raad gestelde punten. Als de situatie niet duidelijk is dan dient de echtscheidingsadvocaat uit te zoeken aan de hand van het dossier in de letselschadezaak of e.e.a. nog kan worden gereconstrueerd. Hierna kan de zaak op de voor de cliënt beste wijze aan de rechter worden voorgelegd.
Hoge Raad 3 november 2008,
LJN AX7805