Verdelen van een lijfrentepolis. Pas op fiscale valkuil!

De vrouw wenst dat deze polis wordt gesplitst. Volgens haar is dit de meest rechtvaardige en eenvoudige wijze van verdeling. Zij stelt dat, indien verdeling plaatsvindt door toedeling aan de man gevolgd door een uitkering aan haar uit hoofde van overbedeling, deze uitkering gelet op artikel 3.102 lid 3 Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) bij haar als inkomen wordt belast en tot een aanzienlijke belastingaanslag zal leiden terwijl splitsing van de polis niet leidt tot enige belastingheffing op het moment van verdeling. De vrouw kan er dan voor kiezen om op een voor haar fiscaal gunstig moment - op het moment dat zij een lager inkomen heeft en/of vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op haar een lager belastingtarief van toepassing is - haar deel van de lijfrente tot uitkering te laten komen. De vrouw wijst erop dat dit ook de achterliggende gedachte is van een lijfrente polis: de betaalde premie wordt op het belastbaar inkomen in mindering gebracht op het moment dat het inkomen hoog is, waardoor maximaal wordt geprofiteerd van de aftrekpost, en de polis komt tot uitkering wanneer het inkomen laag is en het belastingtarief gunstig. Slechts door splitsing van de polis kan verdeling volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op ‘fiscaal geruisloze’ wijze geschieden.

De man verzet zich tegen de door de vrouw gewenste wijze van verdeling. Hij stelt de polis bewust te hebben afgesloten teneinde met ingang van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd daaruit een uitkering ter aanvulling op zijn inkomen te ontvangen, zulks ter compensatie van de inkomensval op dat moment. Verder voert hij aan dat - gegeven het feit dat hij tot kort vóór dat moment jegens de vrouw alimentatieplichtig is - hij niet in staat is een andere voorziening ter zake te treffen. Daarbij komt, aldus de man, dat hij als verzekeringnemer meer rechten heeft op voortzetting van de polis dan de vrouw. Daarnaast meldt de man dat hij steeds de premie heeft betaald en de polis op zijn naam staat. Volgens de man heeft de vrouw nooit gemeld zich gerechtigd te achten op het rendement van de polis na 29 december 2011. Ook stelt hij dat hij thans inteert op zijn vermogen teneinde de kosten van zijn levensonderhoud en de aan hem opgelegde alimentatieverplichting te voldoen. Hij wijst er verder op dat aan de door de vrouw gewenste splitsing administratieve kosten zijn verbonden.

Beide partijen hebben de uitspraak van de belastingkamer van de rechtbank Breda van 11 juni 2011 (ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1489) aangehaald. Deze uitspraak is in hoger beroep bij beslissing van 23 februari 2012 bevestigd door de belastingkamer het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1088), waarna de Hoge Raad bij beslissing van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ0565) met toepassing van artikel 81 RO heeft geoordeeld dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Deze uitspraken zijn gewezen tussen de inspecteur van de Belastingdienst en degene ten laste van wie een (navorderings)aanslag inkomstenbelasting was opgelegd naar aanleiding van de uitkering die zij van haar voormalige echtgenoot had ontvangen uit hoofde van overbedeling ter zake van de aan hem toegedeelde lijfrentepolis die deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, terwijl de daarop betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorziening in mindering waren gebracht op het belastbaar inkomen. Geoordeeld werd dat uit het bepaalde in artikel 3.102 lid 3 van de Wet IB volgt dat de uitkering behoorde tot - kort gezegd - het inkomen dat in BOX 1 progressief wordt belast.

De vrouw heeft verder gewezen op verschillende publicaties in juridische literatuur over de fiscale consequenties van de verdeling van een lijfrentepolis waarvan de premies fiscaal zijn aangewend, waarin - in lijn met voornoemde uitspraken - wordt betoogd dat de overbedelingsuitkering ter zake van een dergelijke lijfrente progressief belast wordt en wordt geconcludeerd dat - in ieder geval naar de huidige stand van zaken - belastingheffing bij gelegenheid van verdeling slechts kan worden voorkomen door de polis te splitsen. Gelet op een en ander, gaat de rechtbank ervan uit dat indien de hier besproken polis zou worden toegedeeld aan de man en hij een overbedelingsuitkering zou doen aan de vrouw dat deze uitkering bij haar progressief zou worden belast (en op de voet van 6.3 lid 1 onder d Wet IB als persoonsgebonden aftrek zou gelden voor de man en dat dit slechts kan worden voorkomen door verdeling middels splitsing. De man heeft weliswaar gesteld dat dit niet zou gelden voor het deel van de uitkering dat middels toedeling van andere polissen zou worden betaald, maar heeft dat verder niet onderbouwd. Aangezien artikel 3.102 lid 3 van de Wet IB bepaalt dat hetgeen wordt ontvangen ter zake de verdeling valt onder het BOX 1-inkomen, kan het door de man ingenomen standpunt niet worden aanvaard.

Het feit dat verdeling door toedeling aan de man en het aan de vrouw toekennen van een overbedelingsuitkering, zou leiden tot een belastingheffing aan de zijde van de vrouw tegen het progressief tarief, terwijl de vrouw bij splitsing van de polis een voor haar gunstiger moment voor belastingheffing kan kiezen, is naar het oordeel van de rechtbank een valide argument voor het standpunt van de vrouw ter zake van de wijze van verdeling. Datzelfde geldt voor de door de vrouw niet weersproken stelling dat de vrouw thans geen nieuwe lijfrente tegen dezelfde gunstige condities zal kunnen aanschaffen.

De tegenwerpingen van de man overtuigen de rechtbank niet. Daarbij moet voorop gesteld worden dat, omdat het een gemeenschapsgoed betreft, de vrouw een volledig gelijke aanspraak op de waarde daarvan heeft als de man, hetgeen ook terugkomt in de ook ter zake van deze polis te hanteren peildatum voor waardering op het moment van verdeling. Dat de man een plan had voor de aanwending daarvan en het feit dat hij de verzekeringnemer is, doen daaraan niet af. Verder miskent de man (ook hier) dat in het voorstel van de vrouw zijn premiebetalingen na 29 december 2011 worden gecompenseerd. De omvang van de alimentatieverplichting van de man kan in dit kader geen rol spelen. Als deze verplichting op een (thans) te hoog bedrag is vastgesteld, moet de man zich tot de alimentatierechter wenden. Over de hoogte van de administratieve kosten in verband met de splitsing is niets concreets gesteld, zodat deze alleen al daarom geen factor van belang kunnen vormen.

Rechtbank Limburg, 14 mei 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4563