Laesio enormis. Partij komt geen beroep toe op dwaling als bedoeld in artikel 3:196 BW.

Met haar eerste grief komt de vrouw op tegen de overweging van de rechtbank dat partijen bij de verdeling van de woning in februari 2011 de waarde van de woning tot uitgangspunt hebben willen nemen en dat zij voor die waarde zijn uitgegaan van de toenmalige WOZ-waarde van de woning in de veronderstelling dat dit de reële waarde betrof. Ten onrechte overweegt de rechtbank dat niet is uitgesloten dat de man heeft gedwaald ten aanzien van de juistheid van die veronderstelling, te weten dat de WOZ-waarde van de woning een reële waarde betrof. Naar de mening van de vrouw kan in het geheel geen sprake zijn van dwaling nu beide partijen op goede gronden concreet voor ogen hebben gehad dat de WOZ-waarde in aanmerking moest worden genomen als de waarde van de woning bij de verdeling.

De grief slaagt. De man heeft in eerste aanleg bij nadere conclusie als productie 1 een taxatierapport in het geding gebracht, waarin de voormalige echtelijke woning is getaxeerd op een marktwaarde van € 311.500,- tegen een peildatum voor de waarde van 4 januari 2011. Het betreffende rapport is opgemaakt in opdracht van de man naar aanleiding van een opname en inspectie op 4 januari 2011. Het rapport geeft ook diezelfde dagtekening als datum van opmaak van het rapport weer. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de man desgevraagd verklaard dat hij het taxatierapport destijds heeft laten opmaken om te bezien “wat het huis waard was” en “ook om financiering te kunnen krijgen”.

Partijen hebben in dezelfde periode tezamen met een mediator overleg gehad over het regelen van de gevolgen van hun echtscheiding. Dit overleg is uitgemond in een echtscheidingsovereenkomst die de bestreden verdeling bevat en waarvan de door partijen getekende versie de datum 9 februari 2011 weergeeft. In de echtscheidingsovereenkomst zijn partijen vervolgens overeengekomen dat zij zouden uitgaan van “getaxeerde waarde huis op basis van WOZ” van € 305.000,-.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de man, die ten tijde van het sluiten van de echtscheidingsovereenkomst over een taxatierapport moet hebben beschikt waaruit bleek van een marktwaarde die hoger lag dan de destijds voor het huis geldende WOZ-waarde, met de vrouw door tussenkomst van een mediator overeenstemming heeft bereikt om de waarde van de voormalige echtelijke woning te stellen op de destijds geldende – en ten opzichte van de bij hem in bezit zijnde taxatie: lagere - WOZ-waarde. Uit hetgeen het hof aldus tussen partijen heeft vastgesteld, vloeit niet slechts voort dat het rechtsvermoeden van artikel 3:196 lid 2 BW is ontzenuwd, maar tevens dat de man over voldoende informatie beschikte om een in beginsel juiste voorstelling van zaken te hebben. Van verschoonbare dwaling als bedoeld in artikel 3:196 lid 1 BW is hoe dan ook geen sprake. Een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan niet tot het door de man voorgestane rechtsgevolg – vernietiging van door partijen overeengekomen verdeling en bepaling van een andere peildatum – leiden, zodat dit onderdeel geen nadere bespreking behoeft.

Gerechtshof Amsterdam 8 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5205