Ingangsdatum toekenning kinderalimentatie

Art. 1:402 BW laat de rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting een grote mate van vrijheid. Uit de parlementaire geschiedenis van voormeld artikel volgt echter dat in het algemeen als uitgangspunt heeft te gelden dat de rechter voorzichtig dient te zijn indien gebruik van van zijn bevoegdheid tot consequenties leidt voor een periode in het verleden.
Bij de beoordeling van het middel stelt de AG voorop dat de beschikking van het hof, in het geval dat de man reeds aan de daarbij vernietigde beschikking van de rechtbank zou hebben voldaan, tot een niet onaanzienlijke terugbetalingsverplichting van de vrouw zou leiden. In het middel wordt echter niet de klacht gelezen dat het hof zich onvoldoende rekenschap zou hebben gegeven van de consequenties die een zodanige terugvordering voor de vrouw zou hebben of dat het hof vanwege die consequenties niet zonder nadere motivering van de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de alimentatieverplichting had mogen afwijken.
Op grond van de beoordeling van de AG lijkt het hier mogelijk mis te zijn gegaan bij het niet voeren van een relevant verweer in feitelijke instanties van de zijde van de vrouw. De vrouw heeft volgens de AG in hoger beroep de consequenties van een wijziging van de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage in verband met een mogelijke terugbetalingsverplichting niet aan de orde gesteld, ook niet in de stellingen waarnaar het middel verwijst.
Hoge Raad 16 april 2010, LJN
BL5446