Welk huwelijksvermogensrecht is van toepassing? Afspraken van partijen zonder tussenkomst notaris.

Deze casus werd aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Den Haag die het volgende overwoog:

Het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime wordt in casu aangewezen door het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, ’s-Gravenhage 14 maart 1978, Trb. 1988, nr. 130 (hierna: HHV 1978), dat op 1 september 1992 in werking is getreden. Partijen zijn immers gehuwd na de inwerkingtreding van dat Verdrag op 1 september 1992.

De overeenkomst met als datum 18 april 2004, luidt woordelijk als volgt :

Hierbij verklaar ik [de vrouw] dat als het huwelijk tussen mij, en mijn man niet werkt en het komt tot een scheiding dat ik dan, geen enkel recht zal op eisen op de woning, inboedel, en al zijn persoonlijke spullen die hem toebehoren. Ook financieel zal hij mij niet hoeven bij te staan. Omdat wij voor de Oekraïense wet getrouwd zijn zal ik dat ook respecteren, ik heb dit ook aan vrienden verteld die mogen als getuigen gehoord worden indien nodig .
Ook zijn wij overeen gekomen dat al mijn spullen, geld, enz, dat ik opgebouwd heb altijd van mij zal blijven.
Alles in deze brief is heel goed met mij besproken en weet wat het inhoud als ik de brief ondertekend wat ik ook zal doen.

Hierbij verklaar ik [de man] dat het opstellen van deze brief Een huwelijksvoorwaarde is die wij als partners gesteld hebben voor Ons huwelijk, en dat ik altijd de spullen, geld, div. wat van haar is of opgebouwd heeft dat ik daar nooit aanspraak op zal maken
Ik heb dit ook verklaard aan diverse mensen die daarvoor willen getuigen indien nodig weten wij samen wie dat zijn.
Dit alles is naar waarheid door mij verklaard en zal als zodanig ook door mij Ondertekend worden.

Vervolgens staan daaronder de namen van partijen en ieders ondertekening.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat niet blijkt dat partijen vóór het huwelijk (artikel 3 HHV 1978) of staande het huwelijk (artikel 6 HHV 1978) een geldige rechtskeuze hebben gedaan ter zake van hun huwelijksvermogensregime. De door partijen op 18 april 2004, derhalve staande het huwelijk, ondertekende overeenkomst – voor zover daarin een rechtskeuze kan worden gelezen – kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk overeengekomen aanwijzing van het Oekraïense huwelijksvermogensrecht als het te dezen toepasselijke recht, noch vloeit die aanwijzing ondubbelzinnig voort uit de overeenkomst, zoals artikel 11 van het HHV 1978 vereist. Maar ook als dat anders zou zijn, dan is die aanwijzing van het toepasselijke recht niet geschied met inachtneming van de vormvoorschriften van artikel 12 en 13 van het HHV 1978. Immers, zowel het Nederlandse (artikel 1:115, eerste lid, BW) als het Oekraïense recht (artikelen 66. tweede lid, 69, tweede lid, en 94, eerste lid van het Familiewetboek van de Oekraïne) verlangen een notariële tussenkomst en daarvan is te dezen niet gebleken.

Nu partijen vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen en zij geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het recht van het land waar zij na hun huwelijkssluiting hun eerste gewone verblijfplaats hebben gevestigd. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking daaromtrent overwogen dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie binnen 6 maanden na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Nederland. Tegen die vaststelling is geen grief gericht, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Zoals hiervoor reeds overwogen zijn partijen geen huwelijkse voorwaarden aangegaan, zodat zij mitsdien zijn gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen naar Nederlands recht.

Gerechtshof 's-Gravenhage 18 augustus 2010, LJN: BN4412

Commentaar:
Met enige regelmaat kom ik in de praktijk dergelijke onderhandse afspraken tussen partijen tegen die in rechte geen stand houden. Belangrijk is dat partijen zich deugdelijk laten adviseren door een deskundige als zij bindende afspraken willen maken op het gebied van het familierecht. Evenals de beslissing van partijen om alle gevolgen van de echtscheiding snel te regelen via een "goedkoop" en niet passend standaard convenant is ook het maken van dit soort onderhandse afspraken te plaatsen in de categorie penny wise, pound foolish.