Verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk tussen een tante op leeftijd en haar achterneef.

De rechtbank overweegt dat drs. Groen en drs. Lefeber beiden hebben verklaard dat de vraag of iemand wilsbekwaam is, moet worden beoordeeld aan de hand van het onderwerp waarover iemand zijn wil moet bepalen. In het algemeen is het moeilijker om de wil te bepalen ten aanzien van een complexe beslissing die grote consequenties heeft, aangezien een aangetast brein door bijvoorbeeld de ziekte van Alzheimer die consequenties minder goed kan overzien, aldus de artsen. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk van partijen een complexe beslissing betreft. Het heeft grote gevolgen op het gebied van het erfrecht en het fiscaal recht. Bovendien is te verwachten dat een huwelijk als het onderhavige, zijnde een huwelijk tussen een tante op leeftijd en haar achterneef, gevolgen heeft voor de verhoudingen binnen de familie. Het vergt daarom naar het oordeel van de rechtbank meer van iemands beoordelingsvermogen om de gevolgen van een dergelijke ingewikkelde constructie te overzien dan van gebruikelijke, dagelijkse beslissingen. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat beide artsen het moeilijk vinden om met terugwerkende kracht te bepalen of iemand op een tijdstip in het verleden wilsbekwaam was. In het algemeen past bij de ziekte van Alzheimer een geleidelijke achteruitgang, maar dit kan in een concreet individueel geval anders zijn. De rechtbank overweegt dat drs. Lefeber wel op 3 april 2009 heeft geconstateerd dat de cognitieve problemen van de vrouw, gezien de ernst van de dementie, al enkele jaren in toenemende ernst zullen spelen. Hij sluit het zeker niet uit dat de vrouw dementerend was ten tijde van het huwelijk. Drs. Groen acht het – gezien zijn deskundigenrapport en getuigenverklaring – uiterst onwaarschijnlijk dat de vrouw in juli 2008 nog wilsbekwaam was met betrekking tot het sluiten van een huwelijk, aangezien hij op 19 november 2009 heeft geconstateerd dat er bij de vrouw sprake is van een verder gevorderd dementiesyndroom. Daar staat tegenover dat de ambtenaar van de burgerlijke stand tijdens de ondertrouw en de huwelijksplechtigheid niets heeft gemerkt waaruit zij zou kunnen afleiden dat de vrouw niet wilsbekwaam was. Uit de verklaringen van de artsen blijkt echter dat bij een hoog intelligent persoon als de vrouw was het voor een gemiddelde buitenstaander minder snel te zien is dat zij de strekking van een beslissing niet meer kan overzien. Daarbij komt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de vrouw met name over haar verleden heeft bevraagd, terwijl over het algemeen bij dementerende personen de herinneringen aan het verre verleden nog intact zijn.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit de brief d.d. 23 oktober 2008 van Fortis Bank blijkt dat Fortis op dat moment al enige tijd betwijfelt of de vrouw nog haar wil kan bepalen. Voorafgaand aan deze brief heeft Fortis een dossier bijgehouden en (onder meer) een telefoongesprek gehad met de vrouw, waarbij zij een verwarde indruk maakte. Gelet hierop verzoekt Fortis in oktober 2008 om een doktersverklaring dan wel een onderbewindstelling of ondercuratelestelling van de vrouw.

Gelet op het voorgaande – in het bijzonder de verklaringen van de medisch specialisten – is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de geestvermogens van de vrouw ten tijde van het sluiten van het huwelijk reeds zodanig waren gestoord dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Hierbij is van belang dat het aangaan van het huwelijk een complexe beslissing betrof, met grote (financiële en emotionele) consequenties. De rechtbank is dan ook voornemens om het huwelijk van de man en de vrouw nietig te verklaren.

Daarnaast is de rechtbank voornemens om het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing af te wijzen, aangezien de declaratoire aard van deze beslissing aan uitvoerbaar bij voorraadverklaring in de weg staat.

Rechtbank Utrecht 24 november 2010 LJN: BO6170