Is het enkele feit dat de man alle hypotheeklasten voor zijn rekening heeft genomen voldoende om af te wijken van de huwelijkse voorwaarden?

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt de man – kort samengevat en zakelijk weergegeven – dat het gelet op het onderling overeenstemmend gedrag van partijen tijdens het huwelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de huwelijkse voorwaarden toe te passen bij de afrekening aan het einde van het huwelijk. Het gedrag van partijen week af van de huwelijkse voorwaarden. De op naam van de vrouw staande echtelijke woning is namelijk in waarde gestegen door verbouwingen die zijn gefinancierd met een door beide partijen aangegane hypothecaire geldlening, waarvan de lasten door de man alleen zijn betaald. De man heeft hierdoor ook onevenredig veel bijgedragen in de kosten van de huishouding, waartoe die hypotheeklasten behoorden. Indien de waarde van de woning alleen aan de vrouw toekomt, is er sprake van een onevenredige bevoordeling van de vrouw ten nadele van de man.
De rechtbank oordeelt als volgt:
Indien tussen partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, kan een eventueel andersluidende partijbedoeling, zonder dat deze in een akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd, niet in de plaats treden van die voorwaarden. Krachtens art. 1:115 BW moeten huwelijkse voorwaarden bij notariële akte worden aangegaan. Dat vormvoorschrift strekt mede tot bescherming van partijen zelf (vlg. onder meer HR 18 juni 2004, NJ 2004, 399).
Wel kan het zo zijn dat een krachtens de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij kàn betekenis toekomen aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, dat afweek van de huwelijkse voorwaarden.
De stelling van de man is op dit punt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het enkele feit dat op de echtelijke woning een (aflossingsvrije) hypotheek rust die door partijen gezamenlijk is aangegaan, maar waarvan de rente door de man alleen is voldaan, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hetgeen partijen omtrent het meetekenen voor deze hypotheek hebben gesteld – de man heeft meegetekend voor de verbouwing van het huis van de vrouw dan wel de vrouw heeft meegetekend voor een (bedrijfs)krediet van de man – kan van belang zijn in het kader van de vraag of er iets tussen partijen te verrekenen valt, maar kan niet bijdragen tot de conclusie dat tussen partijen met betrekking tot de (overwaarde van de) woning moet worden afgerekend alsof er een gemeenschap van goederen bestaat.
Rechtbank Dordrecht 17 februari 2010, LJN
BL4482