Kan van een partij die een WWB ontvangt toch worden gevergd dat hij of zij kinderalimentatie betaalt?

De man stelt dat de gemeente bij beschikking van 22 april 2008 hem heeft opgedragen prioriteit te geven aan inburgering in Nederland (waaronder de beheersing van de Nederlandse taal) boven het vinden van werk in dienstbetrekking. Op 15 juni 2009 is de man begonnen met Nederlandse les bij het ROC. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij niet weet wanneer de Nederlandse les eindigt en wanneer hij toe kan treden tot de arbeidsmarkt.
Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de man verschillende keren niet is verschenen bij Nederlandse les. De absentie van de man bevreemdt het hof, gezien de noodzaak die het beheersen van de Nederlandse taal van de man met zich brengt voor de mogelijkheden van de man op de arbeidsmarkt.
Het hof constateert dat de Nederlandse les niet voortvarend verloopt. Tot op heden beheerst de man de Nederlandse taal nauwelijks tot onvoldoende; tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep was hij volledig afhankelijk van een tolk.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man de Nederlandse lessen onvoldoende voortvarend heeft aangepakt en dat van de man gevergd kan worden dat hij zich tot het uiterste inspant teneinde financiële middelen te vergaren ten behoeve van zijn kinderen.
Evenals de rechtbank passeert het hof de stellingen van de man dat gezondheidsredenen hem beperken in het aanvaarden van werk, nu de man zulks niet heeft aangetoond met bewijsstukken. De man heeft geen medische bewijzen overgelegd waaruit geconcludeerd kan worden dat de man op enigerlei wijze medisch wordt gehinderd in het aanvaarden van werk.
Bovendien laat ’s mans stelling zich zonder nadere toelichting (welke toelichting ontbreekt) moeilijk rijmen met zijn verklaring ter zitting van het hof dat hij uitzendbureaus bezoekt om werk te vinden. Ook van ’s mans beweerdelijke bezoeken aan uitzendbureaus en van andere pogingen om werk te vinden, zijn geen nadere stukken in het geding gebracht, hetgeen gelet op onder meer door de vrouw in hoger beroep in haar toelichting op haar vierde grief is gesteld eens te meer op de weg van de man zou hebben gelegen. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de het gezien de zwaarwegende onderhoudsverplichting van de man jegens zijn kinderen niet alleen aankomt op het inkomen dat de man feitelijk heeft, maar ook op het inkomen dat hij in redelijkheid kan verwerven.
Het hof acht de man in staat om in ieder geval ongeschoold werk te verrichten, zoals hij in het verleden heeft gedaan. Het hof acht de man in staat om maandelijks € 1.100,= netto te verdienen exclusief vakantiegeld. Hiermee slaagt de vierde grief van de vrouw.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 februari 2010,
LJN BL5755