Is het belang van de kinderen altijd beslissend bij een voorgenomen verhuizing naar het buitenland?

In de jurisprudentie deed zich het volgende geval voor.
Uit het huwelijk van partijen is een zoon en een dochter geboren. De partijen scheiden in juni 2006. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder. Tussen de vader en de kinderen is een omgangsregeling vastgesteld.
Op 30 november 2006 verzoekt de moeder aan de Rechtbank om te bepalen dat zij gerechtigd zal zijn om zich samen met de kinderen in Zwitserland te vestigen, met ingang van de datum van de te geven beschikking dan wel met ingang van een zodanige datum als de Rechtbank juist zal achtend. De moeder heeft gesteld dat zij een nieuwe levenspartner in Zwitserland heeft gevonden en dat zij met de kinderen bij hem wil gaan wonen en dat de vader weigert hiervoor toestemming te verlenen. De vader bestrijdt het verzoek en verzoekt zelfstandig dat de Rechtbank bepaalt dat de kinderen hun hoofdverblijf voortaan bij hem zullen hebben. De moeder bestrijdt dit verzoek.
Bij beschikking van 13 april 2007 wijst de Rechtbank het verzoek van de moeder en de vader af, omdat deze verzoeken niet in het belang van de kinderen zouden zijn.
De moeder stelt hoger beroep in. Bij beschikking van 21 augustus 2007 bekrachtigt het Hof de bestreden beschikking.
De moeder stelt cassatieberoep in. Zij klaagt onder andere dat het Hof door bij de toepassing van art. 1:253a BW uitsluitend te onderzoeken of de voorgenomen verhuizing naar Zwitserland in het belang van de kinderen is, zonder in die toetsing het nieuwe huwelijk van de moeder met een in Zwitserland wonende man, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de tot dan toe bestaande gezinssituatie te betrekken, een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd dan wel zij beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het Hof alle bij de verhuizing betrokken belangen, die van de beide ouders (en de overige gezinsleden) daaronder begrepen, in aanmerking had behoren te nemen.
De klacht slaagt. Uit art. 1:253a BW mag niet worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen. Het Hof heeft door in zijn beslissing niet uitdrukkelijk het nieuwe huwelijk van de moeder met haar in Zwitserland wonende echtgenoot, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de bestaande gezinssituatie in zijn afweging te betrekken, deze maatstaf miskend, dan wel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. (ro. 3.3)
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof.
Ouders hebben thans de mogelijkheid om dit onderwerp te regelen in het ouderschapsplan. Men dient hierop bedacht te zijn.
Hoge Raad, 25 april 2008,
LJN BC5901