Wijzigingsverzoek kinderalimentatie afgewezen. Niet voldaan aan stelplicht.

3.6.2.
Op grond van artikel 359 juncto artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het verzoekschrift in hoger beroep een duidelijke omschrijving van het verzoek te bevatten, alsmede de gronden waarop het berust. Naar het oordeel van het hof voldoet het appelschrift van de man niet aan de vereisten van voormelde artikelen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting concludeert het hof evenwel dat het verzoek van de man met betrekking tot de wijziging van de onderhoudsbijdrage beoordeeld dient te worden op basis van artikel 1:401 lid 1 BW, ingevolge welk artikellid een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.6.3.
Of in de onderhavige zaak sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW laat het hof in het midden, nu, zo het hof vaststelt, de man het hof niet in staat heeft gesteld te beoordelen of de man niet (langer) de draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie te (blijven) voldoen. De man heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De man heeft weliswaar de jaarrapporten van Future Traffic van de jaren 2012 en 2014 overgelegd, doch hij heeft niet de aangiften inkomstenbelasting (IB) met bijbehorende aanslagen over de jaren 2013 en 2014 in het geding gebracht, hetgeen wel van hem verwacht had mogen worden. Evenmin heeft de man een afdoende verklaring gegeven voor c.q. inzicht gegeven in de uit de overgelegde stukken blijkende stortingen uit privémiddelen, hetgeen, mede gelet op het daartegen gericht verweer van de vrouw, wel op zijn weg had gelegen. Voorts is onduidelijk gebleven van welke middelen de man, gezien zijn beweerde penibele financiële situatie in de afgelopen jaren, heeft geleefd. Dat hij leeft van het inkomen van zijn vriendin waarvan maandelijks na aftrek van de hypotheek ongeveer € 800,- resteert, zoals door de man gesteld, acht het hof, mede gelet op het door de man gestelde uitgavenpatroon ten behoeve van [minderjarige] (kleding, schoenen, reiskosten ad € 500,- per maand) niet geloofwaardig.
Gelet op het voorgaande is het hof niet in staat om de financiële positie van de man in voldoende mate te beoordelen, hetgeen voor rekening en risico van de man dient te komen. Het hof zal de beschikking van de rechtbank in zoverre bekrachtigen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:73