Verbroken lotsverbondenheid. Geen recht meer op een onderhoudsbijdrage.

In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek (BW), een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer gevergd kan worden. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijk karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen. Ook naar objectieve maatstaven bezien moet er sprake zijn van wangedrag waarbij eveneens van belang is de duur van het huwelijk alsmede het wederzijdse gedrag jegens elkaar.

Het hof is van oordeel dat voornoemde omstandigheden, alsmede de stukken die de man heeft overgelegd ter onderbouwing daarvan (bij voornoemde brieven van 9 februari 2016), tot gevolg hebben dat de lotsverbondenheid is verbroken en de vrouw van de man geen onderhoudsbijdrage meer kan vorderen. Zij heeft met haar handelingen ook derden op ontoelaatbare wijze in de strijd tussen partijen betrokken. Het hof acht het ontoelaatbaar dat de vrouw ook de werkgever van de man betrokken heeft in haar conflict met de man. Door een dergelijk handelen brengt zij de inkomensbron van de man direct in gevaar.

Het hof is van oordeel dat er geen enkele noodzaak aanwezig was voor de vrouw om de werkgever van de man te belasten met de onderlinge strijd tussen partijen en te dreigen met het zoeken van publiciteit. De vrouw had zich – daargelaten of het door haar gestelde juist is – zeker als juriste, bewust moeten zijn van de gevolgen voor de man (onder meer overplaatsing) van haar uitlatingen aan de werkgever van de man en zij had zich dan ook daarvan moeten onthouden. De vrouw heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat zij heeft gemeend juist aan de werkgever van de man mededelingen te moeten doen.

Een ander voorbeeld van malicieus handelen door de vrouw is dat zij diverse aangiftes tegen de man heeft gedaan bij de politie, die allen geseponeerd zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de melding van de vrouw bij de politie over geschreeuw van de kinderen in de woning van de man terwijl, zo bleek na een bezoek aan de woning van de man door de politie, de man en kinderen niet thuis waren.

Daarnaast heeft de vrouw, zo heeft de raad voor de kinderbescherming geconstateerd in het verzoek voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van 28 februari 2014 (productie 4 bij brief van de zijde van de man van 9 februari 2016), de burgemeester/gemeente benaderd met zorgen over de man en een verzoek om hiernaar te handelen.

Gerechtshof Den Haag 13 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1249