Krijgt moeder vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar Tjechie?

Op 6 december 2009 heb ik reeds de uitspraak besproken van de Hoge Raad van 25 april 2008 (Zwitserse zaak) waarin werd overwogen dat niet altijd het belang van het kind doorslaggevend is bij de vraag of vervangende toestemming wordt gegeven voor een verhuizing naar het buitenland met kinderen waarover gezamenlijk gezag wordt uitgeoefend. In de onderhavige uitspraak wordt dit standpunt door het Gerechtshof Amsterdam herhaald. De crux zit hier in het gegeven dat moeder de verhuizing in de visie van het Gerechtshof niet goed heeft voorbereid. Hieromtrent werd het volgende overwogen:
De moeder heeft aangevoerd dat zij met haar partner in Lomnice (nabij Bruntàl in Moravië) een huis heeft gekocht en dat haar partner bezig is aldaar een boomkwekerij op te zetten, in verband waarmee haar partner reeds in februari jl. naar Tsjechië is verhuisd. Haar partner is echter om financiële redenen gehouden om intussen zijn werkzaamheden in de offshore, die hij ook vanuit Nederland geruime tijd heeft verricht, voort te zetten, aldus de moeder. Zelf heeft de moeder sinds januari jl. een bijstandsuitkering ten behoeve van haarzelf en de kinderen. Zij hoopt te zijner tijd in een nieuw te bouwen zwembad in Bruntàl tijdens de schooltijden van de kinderen zwemlessen te geven. Veel concrete informatie over de huidige stand van zaken met betrekking tot de boomkwekerij heeft de moeder het hof niet kunnen verstrekken. In elk geval moet worden geconcludeerd dat er nog heel wat moet gebeuren voordat duidelijk is of en, zo ja, in hoeverre de boomkwekerij als zelfstandige bron van inkomsten voor de moeder, haar partner en de kinderen kan fungeren, terwijl van het geven van zwemlessen vooralsnog geen sprake is. In financieel opzicht is het toekomstperspectief van de kinderen in Tsjechië dus onzeker.
Uit het voorgaande volgt dat de redenen van de moeder en haar partner voor een verhuizing naar Tsjechië onvoldoende zwaarwegend moeten worden geacht. Aannemelijk is dat de financiële positie van de moeder en haar partner hier te lande niet rooskleurig was c.q. is, zodat hun wens om elders een beter bestaan op te bouwen, begrijpelijk is. Mede in het licht van hetgeen hiervoor omtrent het toekomstperspectief in Tsjechië is overwogen, is evenwel niet gebleken dat hun financiële positie daar zodanig is of dat er sprake is van zodanige andere omstandigheden dat van hen niet kan worden gevergd in Nederland te blijven. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de partner van de moeder sinds 2003 in Nederland verblijft en zich destijds zelfstandig, dus voordat hij een relatie met de moeder kreeg, hier heeft gevestigd. De omstandigheid dat de moeder en haar partner inmiddels een huis in Lomnice hebben gekocht, geeft het hof geen aanleiding anders te oordelen, nu een dergelijke als voorbarig te kwalificeren stap bij de afweging niet in haar voordeel en in het nadeel van de man kan werken.
Aannemelijk is voorts dat de onzekere financiële situatie van de moeder in Tsjechië aan een regelmatig contact van de kinderen met de vader in de weg zal staan of dat in elk geval zal bemoeilijken, terwijl een dergelijk regelmatig contact duidelijk wenselijk is in het belang van de kinderen. De moeder heeft in dat verband voorgesteld dat de kinderen een weekend per maand bij de vader doorbrengen alsmede de schoolvakanties, waarbij de reis telkens per vliegtuig dient plaats te vinden, gelet op de grote afstand tussen Nederland en Tsjechië. Het ligt naar het oordeel van het hof in de rede van de moeder te verlangen dat zij dan substantieel bijdraagt aan de reiskosten, nu zij degene is die ervoor kiest op grote afstand van de vader te gaan wonen. Op grond van haar financiële situatie moet er echter van worden uitgegaan dat de moeder niet (voldoende) in staat zal zijn aan die verplichting te voldoen. Volgt afwijzing van het verzoek.
Gerechtshof Amsterdam, 27 oktober 2009, LJN BK2820