Kan van de alimentatieplichtige worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen?

De Hoge Raad heeft zich niet inhoudelijk over de zaak uitgelaten aangezien er verwezen werd naar artikel 81 RO. Dit artikel luidt als volgt: "Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel."
De advocaat-generaal oordeelde in haar conclusie als volgt met een beroep op de vaste jurisprudentie over dit onderwerp:
" De financiële draagkracht van de alimentatieplichtige wordt niet alleen door zijn inkomen maar ook door zijn vermogen bepaald. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval van een alimentatieplichtige kan worden gevergd dat hij inteert op zijn vermogen, hangt af van de omstandigheden van het geval en niet slechts van de aanwezigheid van 'bijzondere omstandigheden' in dier voege dat interen slechts in geval van zulke bijzondere omstandigheden zou kunnen worden gevergd. Het oordeel van de feitenrechter dat van de man onder de omstandigheden van het geval intering op zijn vermogen kan worden gevergd, betreft uitsluitend het vaststellen en wegen van de voor partijen met het oog op draagkracht of behoefte naar voren gebrachte omstandigheden. Zie onder meer HR 27 maart 1992, LJN ZC0560, NJ 1992, 395 en HR 1 februari 2001, LJN AD6629, NJ 2002, 184. Zie voorts Asser-De Boer 2006, nr. 625."
Hoge Raad, 23 april 2010, LJN
BL8622