Beleggingsleer en verrekening waarde aandelen b.v.

De man had NLG 35.000,00 betaald in 1986 voor de volstorting van aandelen. Partijen hadden niet niet uitgevoerd Amsterdams verrekenbeding en de aandelen waren gefinancierd uit overgespaarde inkomsten. De man heeft betoogd dat de waardestijging van de aandelen tot € 3.076.448,00 voornamelijk teweeg is gebracht door zijn arbeidsinspanning en ondernemerskwaliteiten. Volgens de Hoge Raad is dit niet relevant.

De omstandigheid dat de na 1986 opgetreden waardestijging van de aandelen, naar de man heeft aangevoerd, voornamelijk is teweeggebracht door de arbeidsinspanning en ondernemerskwaliteiten van de man zelf (en van zijn zakenpartner), geeft geen aanleiding om het in art. 1:141 lid 3 neergelegde bewijsvermoeden met een beroep op de "tenzij-clausule" buiten toepassing te laten. Het bewijsvermoeden heeft immers slechts betrekking op de vraag of de aandelen al dan niet gefinancierd zijn uit hetgeen verrekend had moeten worden.
De zojuist genoemde omstandigheid geeft evenmin grond om slechts een gedeelte van de waarde(stijging) van de aandelen voor de verrekening in aanmerking te nemen. Die waardestijging komt immers in beginsel toe aan degene(n) die in de aandelen heeft (hebben) belegd; dat is hier niet alleen de man als de rechthebbende op de aandelen, maar krachtens het verrekenbeding en de beleggingsleer ook de vrouw, nu de aandelen zijn gefinancierd uit inkomsten die met haar verrekend hadden moeten worden.

Hoge Raad 8 juni 2012, LJN:BV9605