De man heeft de kinderen zonder toestemming van de vrouw meegenomen naar Egypte. Na een half jaar is hij teruggekomen. Beëindiging gezag en afwijzing verzoek omgangsregeling.

Het hof is van oordeel dat de man door de kinderen zonder toestemming van de vrouw mee te nemen ernstig in strijd met de belangen van de kinderen heeft gehandeld. De kinderen zijn plotseling uit hun vertrouwde omgeving gehaald, hebben een lange periode in een voor hen vreemd land verbleven en hun moeder deze hele periode niet kunnen zien of spreken. Zij hebben last van de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, ze vertonen kindsignalen en behoeven (trauma)behandeling om het gebeurde te verwerken. Deze behandeling kan nog niet gestart worden door de voortdurende onveilige en onrustige situatie, waarin zij (door toedoen van de man) verkeren.

Het vertrouwen in de man en de basisveiligheid van de vrouw en de kinderen is ten gevolge van het handelen van de man zeer ernstig aangetast. De man heeft op geen enkele manier blijk ervan gegeven inzicht te hebben in de effecten van zijn handelen op de vrouw en op de kinderen. Voorts heeft de man ter zitting in hoger beroep uitspraken gedaan waarbij hij de vrouw als opvoeder van de kinderen diskwalificeert.

Het hof is van oordeel dat het zeer in strijd met de belangen van de kinderen zou zijn om de man met het eenhoofdig gezag te belasten, zoals door hem primair is verzocht. Het hof is voorts van oordeel dat er geen enkele basis is, waarop partijen gezamenlijk invulling kunnen geven aan het gezag. Het hof acht het op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over hen. Dit leidt ertoe dat de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag en de hoofdverblijfplaats van de kinderen worden afgewezen en dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen.

Thans is het (subsidiaire) verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling met de kinderen aan de orde. Het is in beginsel in het belang van een kind omgang met beide ouders te hebben. Een verzoek om omgang kan slechts worden afgewezen indien sprake is van een of meer van de hierna volgende in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden:

a. omgang zou ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind moet kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, heeft bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat doen blijken, of
d. omgang is anderszins in strijd met zwaarwegende belangen van het kind.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van ontzeggingsgronden. De kinderen zijn nog erg jong en zij zijn kwetsbaar en getraumatiseerd door wat zij hebben meegemaakt. Zij hebben rust nodig om te herstellen en de benodigde hulpverlening te krijgen. Zij bevinden zich thans nog steeds in een onrustige opvoedsituatie, zij zijn met de vrouw ondergedoken en hebben in de afgelopen periode een aantal maal moeten verhuizen. Omgang met de man kan alleen in het belang van de kinderen geacht worden, als dit op een voor hen veilige en voorspelbare wijze kan worden vormgegeven. Gebleken is dat dit thans niet mogelijk is, onder meer omdat de man niet in staat is het belang van de kinderen voorop te stellen en aan te sluiten bij wat zij nodig hebben. Hij heeft meerdere malen in strijd met de belangen van de kinderen gehandeld, door ze mee te nemen naar Egypte, door de vrouw en de kinderen onverwacht op te zoeken toen zij weer terug in Nederland waren, in welke situatie een escalatie tussen hem en de nieuwe partner van de vrouw is ontstaan waar de kinderen getuige van waren, maar ook door de vrouw als opvoeder van de kinderen te diskwalificeren. Hij bagatelliseert de ernst van de ontstane situatie en legt de oorzaak van de problemen buiten zichzelf. Hij toont daarbij geen inzicht in wat de kinderen nodig hebben. Daarbij komt dat de vrouw nog steeds angst heeft voor de man, zij geen enkel vertrouwen meer in hem heeft en derhalve niet over de draagkracht beschikt om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen te ondersteunen.

Het hof is van oordeel dat er op dit moment geen enkele mogelijkheid is voor (begeleide) omgang tussen de man en de kinderen, gelet op de kwetsbaarheid van de kinderen, het handelen van de man en zijn gebrek aan inzicht en inlevingsvermogen in wat de kinderen nodig hebben, alsmede het gebrek aan draagkracht aan de zijde van de vrouw. Er is voldaan aan de ontzeggingsgronden, zoals genoemd in artikel 1:377 BW onder a, b, en d. Het hof ziet gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen evenmin ruimte voor contact via Skype, zoals door de man (meer subsidiair) is verzocht. Het hof zal de verzoeken van de man in hoger beroep dan ook afwijzen.

Gerechtshof Amsterdam 10 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4616